ECLI:NL:CRVB:2008:BC4955

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3995 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting psychische beperkingen

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te herzien van volledige arbeidsongeschiktheid naar een mate van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank Roermond verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de medische advisering zorgvuldig was en dat de functies waarop de schatting was gebaseerd passend waren. Appellant voerde aan dat hij ernstiger psychisch beperkt was door een eerder trauma en dat het UWV onjuiste verwachtingen had gewekt over het behoud van zijn uitkering.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank. De Raad vond dat appellant onvoldoende concrete medische gegevens had overgelegd om de ernst van zijn beperkingen aan te tonen. Ook was er geen objectief-medische noodzaak voor een urenbeperking. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de arbeidsdeskundige toezeggingen had gedaan over het behoud van de uitkering.

De Raad wees erop dat het eerste onderhoud zonder tolk had plaatsgevonden, wat mogelijk tot misverstanden had geleid. De medische passendheid van de functies werd als overtuigend gemotiveerd beschouwd. Er werd geen aanleiding gezien voor een onafhankelijk medisch onderzoek. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

06/3995 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 mei 2006, 05/1169 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Van de zijde van appellant zijn nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2008. Voor appellant is verschenen mr. Verkoeijen, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 28 juni 2005, hierna: het bestreden besluit, waarbij ongegrond is verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2005 tot herziening van zijn naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 8 mei 2005 naar de klasse 15 tot 25%.
De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat de medische advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit zorgvuldig is te achten. Niet is kunnen blijken dat de verzekeringsartsen niet alle klachten van appellant bij hun beoordeling hebben betrokken. Evenmin is kunnen blijken dat de klachten van appellant zijn onderschat dan wel onjuist geïnterpreteerd. Al met al heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen.
Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de schatting als ten grondslag gelegde functies. De rechtbank is van oordeel dat de passendheid van die functies door de arbeidsdeskundige en bezwaararbeidsdeskundige toereikend is toegelicht.
Ten slotte heeft de rechtbank ook afgewezen het namens appellant gedane beroep op het vertrouwensbeginsel. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat de arbeidsdeskundige hem tijdens het onderhoud op 24 februari 2005 - in de aangevallen uitspraak staat abusievelijk 28 februari - heeft meegedeeld dat er geen wijziging zou plaatsvinden in zijn uitkering. De rechtbank overweegt in dit verband dat, zo een dergelijke mededeling inderdaad is gedaan, deze heeft plaatsgevonden één week voor de mededeling aan appellant van herziening van zijn uitkering, welke eerst op 8 mei 2005 ingaat. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat appellant hierdoor niet zodanig in zijn belangen is geschaad dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft doen aanvoeren is in overwegende mate een herhaling van in eerdere stadia van de procedure aangevoerde grieven. Appellant houdt staande dat hij ernstiger beperkt is dan aangenomen door het Uwv. Hij lijdt nog steeds aan psychische klachten ten gevolge van een vroeger doorgemaakt trauma - appellant is slachtoffer geweest van een gewelddadige beroving - waardoor hij tevens lijdt aan vermoeidheidsklachten, hoofdpijn en maagpijn. Ten gevolge daarvan is hij niet in staat tot het vervullen van de geduide functies. In elk geval kan hij niet in een voltijdse omvang werken. Ook handhaaft appellant zijn grieven inzake door het Uwv gewekte verwachtingen met betrekking tot het behoud van zijn uitkering.
De Raad kan zich vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.
Appellant is ook in hoger beroep niet erin geslaagd zijn eigen opvatting inzake de ernst van zijn - vooral psychische - beperkingen en de onderschatting daarvan door de verzekeringsartsen van het Uwv aan de hand van concrete medische gegevens te staven. Appellant was ten tijde hier van belang ook niet meer onder behandeling voor de psychische klachten die hij stelt als gevolg van de overval in 2000 nog steeds te ondervinden in de vorm van een post traumatische stressstoornis. Ook is niet kunnen blijken van een objectief-medische noodzaak voor een urenbeperking. De Raad heeft dan ook, bij gebreke van een toereikende objectief-medische onderbouwing daarvoor, in navolging van de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant in aanmerking genomen beperkingen. Hierin ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om, als namens appellant verzocht, hem door een onafhankelijke deskundige te doen onderzoeken.
Evenmin bestaat aanleiding om ervan uit te gaan dat appellant ten tijde hier van belang buiten staat was tot het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de hem voorgehouden functies. De medische passendheid van die functies acht ook de Raad overtuigend gemotiveerd.
Tenslotte faalt ook het herhaalde beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel, reeds omdat appellant geenszins aannemelijk heeft kunnen maken dat de arbeidsdeskundige tijdens het bewuste onderhoud op 24 februari 2005 daadwerkelijk ondubbelzinnige toezeggingen heeft gedaan inzake het behoud van zijn uitkering. Van de zijde van het Uwv is ter zitting aangegeven dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de arbeidsdeskundige zich in die zin tegenover appellant zou hebben uitgelaten. De Raad heeft geen reden om daarover anders te denken. Het rapport van de arbeidsdeskundige bevat daartoe ook geen enkele aanwijzing. De Raad sluit overigens niet uit dat hier sprake kan zijn van een misverstand bij appellant als gevolg van gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal, in welk verband de Raad erop wijst dat het bewuste eerste onderhoud op 24 februari 2005 heeft plaatsgevonden zonder aanwezigheid van een tolk, en de arbeidsdeskundige kennelijk een tweede onderhoud - op 7 maart 2005 - noodzakelijk heeft geacht in aanwezigheid van een tolk.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
MK