ECLI:NL:CRVB:2008:BC5018

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2932 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep wegens niet-ontvankelijkheid bij termijnoverschrijding bezwaarschrift

Appellante maakte bezwaar tegen een berekeningsbeschikking van de Pensioen- en Uitkeringsraad, waarbij een uitkering voorlopig was berekend en niet werd uitbetaald over de periode juni tot en met december 2006. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift.

Appellante gaf aan dat zij vanwege haar leeftijd de beschikking niet begreep en dat haar dochter niet altijd op de hoogte was van de post die zij ontving. De Raad oordeelde dat appellante zich tijdig tot een derde had moeten wenden om haar belangen te behartigen en dat de omstandigheid dat de dochter niet altijd op de hoogte was, voor rekening van appellante komt.

De Centrale Raad van Beroep handhaafde het besluit tot niet-ontvankelijkheid en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Het beroep werd afgewezen omdat de termijnoverschrijding niet verontschuldigd kon worden.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid door overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

07/2932 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 14 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 20 april 2007, kenmerk JZ/U90/2007, ten aanzien van appellante genomen besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2008. Daar is namens appellante verschenen C. Burer, wonende te Den Haag, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft verweerster bij berekeningsbeschikking van 31 december 2006 de op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 aan appellante toegekende uitkering voorlopig berekend en over de periode van 1 juni tot en met 31 december 2006 niet tot uitbetaling gebracht.
Tegen dat besluit is namens appellante bezwaar gemaakt bij schrijven van 15 februari 2007 dat blijkens het poststempel op 21 februari 2007 is verzonden en op 22 februari 2007 bij verweerster ingekomen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerster appellante in haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voor de indiening van een bezwaarschrift op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldende termijn van zes weken. In dat verband is overwogen dat de namens appellante genoemde omstandigheden de termijnoverschrijding niet kunnen verontschuldigen zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest in de zin van de Awb.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt als volgt.
Gezien de hierboven weergegeven feiten staat vast - en wordt ook niet betwist - dat appellante de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van Pro de Awb heeft overschreden.
Ter verklaring van de termijnoverschrijding is - zoals ter zitting nader toegelicht - gewezen op de omstandigheid dat appellante gezien haar leeftijd niets begrijpt van de ontvangen berekeningsbeschikking en C. Burer, de dochter van appellante, niet altijd op de hoogte is van de post die appellante in het verzorgingshuis ontvangt. Vervolgens heeft de dochter van appellante eerst eind januari 2007 van de berekeningsbeschikking kennis genomen, waarna alsnog is besloten tegen dat besluit bezwaar te maken.
Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster in hetgeen namens appellante is aangevoerd terecht geen aanleiding gezien om niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van artikel 6:11 Awb Pro achterwege te laten. Hiertoe overweegt de Raad dat indien appellante niet bij machte is haar belangen te behartigen, het op haar weg had gelegen zich vroegtijdig voor hulp tot een derde, bijvoorbeeld haar dochter, te wenden. De omstandigheid dat de dochter van appellante niet altijd op de hoogte is van de post die door appellante wordt ontvangen, dient evenwel geheel voor rekening van appellante te komen.
Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit in stand blijven en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) M.J.H. van Baalen.
HD
14.01