ECLI:NL:CRVB:2008:BC5027
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering burger-oorlogsslachtoffers wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1928 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg een uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 vanwege haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiapperiode, waaronder een bombardement in Soerabaja en moordpartijen in 1945. Verweerster wees de aanvraag af omdat onvoldoende bewijs bestond dat appellante daadwerkelijk door oorlogsgeweld was getroffen.
De Raad onderzocht het aangevoerde bombardement en constateerde dat het bekende bombardement op 3 februari 1942 plaatsvond, maar niet het door appellante genoemde bombardement op een bioscoop. Ook was geen bevestiging van haar directe betrokkenheid bij de moordpartijen tijdens de Bersiapperiode gevonden, mede omdat getuigen waren overleden.
Omdat niet vaststond dat appellante onder de in artikel 2 van Pro de Wet omschreven oorlogsgeweldsituaties viel, was medisch onderzoek naar haar klachten niet noodzakelijk. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat niet is vastgesteld dat zij door oorlogsgeweld is getroffen.