ECLI:NL:CRVB:2008:BC5031
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en vervolgde wegens ontbreken oorlogsgeweld en vervolging
Appellante, geboren in juni 1944 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de WUBO en als vervolgde op grond van de WUV. De verzoeken werden afgewezen omdat niet was vastgesteld dat zij direct betrokken was bij oorlogsgeweld of vervolging.
Tijdens de zitting op 9 januari 2008 verscheen appellante persoonlijk, bijgestaan door haar zoon. De Raad stelde vast dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer of vervolgde primair vereist is dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld of vervolging. Uit het sociaal rapport en de zitting bleek dat appellante, gezien haar jeugdige leeftijd tijdens de oorlog, geen herinneringen had aan relevante gebeurtenissen.
Ook de omstandigheid dat appellante op jonge leeftijd werd afgestaan ter adoptie en haar biologische ouders nooit heeft gekend, valt niet onder de werking van de WUBO of WUV. Gezien deze feiten verklaarde de Raad de beroepen ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld of vervolging.