ECLI:NL:CRVB:2008:BC5083

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6693 ZFW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen besluit Zfw-premie onterecht

Appellante ontvangt sinds 1 juli 1989 een AOW-pensioen waarbij Zfw-premie werd ingehouden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot op 21 juli 2005 de inhouding te beëindigen en restitutie toe te kennen vanaf september 2001. Namens appellante reageerde haar zoon met brieven waarin werd verzocht om restitutie vanaf 1989.

De Svb verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2005 niet-ontvankelijk, omdat de brieven van de zoon niet als bezwaarschrift werden erkend. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 21 september 2006 ongegrond, maar de Raad oordeelt dat de brief van 15 augustus 2005 onmiskenbaar als bezwaarschrift moet worden aangemerkt en tijdig was ingediend.

De telefonische notitie van 24 augustus 2005, waarin de brieven als niet verzonden zouden zijn beschouwd, is volgens de Raad geen rechtsgeldige intrekking van het bezwaar. De Raad vernietigt daarom de aangevallen uitspraak en het besluit van 21 september 2006 voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard, en beveelt een nieuw besluit op het bezwaar. Tevens wordt de Svb veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2005 is terecht als ontvankelijk aangemerkt en het besluit dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde wordt vernietigd.

Uitspraak

06/6693 ZFW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 oktober 2006, 06/2998 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 21 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.E. Jalandoni, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2008. Namens appellante zijn verschenen mr. Jalandoni, voornoemd, en haar zoon [naam zoon]. Namens de Svb is verschenen mr. drs. M.M.W. van der Ent-Eltink, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
Appellante ontvangt sedert 1 juli 1989 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), waarop premie werd ingehouden voor de Ziekenfondswet (Zfw). Naar aanleiding van door appellante verstrekte informatie heeft de Svb aan haar bij besluit van 21 juli 2005 medegedeeld dat de maandelijkse inhouding van de Zfw-premie met ingang van juli 2005 wordt beëindigd en dat de over de periode van september 2001 tot en met juni 2005 ingehouden Zfw-premie aan haar zal worden gerestitueerd.
Namens appellante is hierop bij brieven van 26 juli 2005, 9 augustus 2005 en 15 augustus 2005 gereageerd door haar zoon. Een medewerker van de Svb heeft vervolgens op 24 augustus 2005 telefonisch contact met de zoon van appellante opgenomen en daarbij genoteerd dat de brieven als niet verzonden kunnen worden beschouwd.
Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de Svb aan appellante onder meer medegedeeld dat terecht Zfw-premie is ingehouden in het verleden en dat het aan haar gerestitueerde bedrag van haar wordt teruggevorderd. Hiertegen is bezwaar gemaakt en in dat verband is eveneens aangevoerd dat ten onrechte door de Svb nog niet is beslist op het bezwaar van dat is ingesteld tegen het besluit van 21 juli 2005.
Bij besluit van 19 april 2006 heeft de Svb op het bezwaar van appellante beslist, maar dat besluit is vervolgens vervangen door het besluit van 21 september 2006. Bij dat besluit heeft de Svb - voor zover hier van belang - het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 juli 2005 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep tegen het besluit van 21 september 2006 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2005 niet-ontvankelijk is. Aan dat standpunt van de Svb ligt ten grondslag dat de hiervoor vermelde brieven van de zoon van appellante niet als bezwaarschrift kunnen worden aangemerkt.
De Raad onderschrijft dat standpunt niet. Met name de brief van 15 augustus 2005 van de zoon van appellante laat er geen enkel misverstand over bestaan dat appellante zich niet kan verenigen met het feit dat de restitutie van de ingehouden Zfw-premie wordt beperkt tot de periode vanaf september 2001. Deze brief was onmiskenbaar bedoeld om de Svb ertoe te bewegen het besluit van 21 juli 2005 in zoverre ongedaan te maken en over te gaan tot restitutie van de vanaf 1989 ingehouden Zfw-premie. Gelet hierop kan de Raad niet anders concluderen dan dat de brief van 15 augustus 2005 is aan te merken als een bezwaarschrift tegen het besluit van 21 juli 2005 en dat dat bezwaarschrift tijdig is ingediend.
De notitie van het telefoongesprek op 24 augustus 2005 tussen de zoon van appellante en een medewerker van de Svb maakt het voorgaande niet anders. De notitie bevat niet meer dan de mededeling dat de brieven als niet verzonden kunnen worden beschouwd. De zoon van appellante heeft ter zitting van de Raad echter bestreden een dergelijke uitlating te hebben gedaan. Nu de Svb geen schriftelijke bevestiging van het telefonisch besprokene heeft verstuurd, kan de korte, handgeschreven, notitie niet als rechtsgeldige intrekking van het bezwaar worden aangemerkt.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het besluit van 21 september 2006 ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak dient dan ook, voor zover aangevochten, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 21 september 2006, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2005 niet-ontvankelijk is verklaard, gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen. Met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen zal de Svb een nieuw besluit dienen te nemen op het bezwaar van appellante.
De Raad ziet tevens aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft voor de beroepsfase reeds een proceskostenveroordeling uitgesproken, zodat de Raad volstaat met een veroordeling in de kosten in verband met de verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tot een bedrag van € 644,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 september 2006, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2005 niet-ontvankelijk is verklaard, gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;
Bepaalt dat de Svb met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 juli 2005;
Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante, begroot op € 644,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
€ 142,-- aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2008.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Badermann.
IJ