ECLI:NL:CRVB:2008:BC5083
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen besluit Zfw-premie onterecht
Appellante ontvangt sinds 1 juli 1989 een AOW-pensioen waarbij Zfw-premie werd ingehouden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot op 21 juli 2005 de inhouding te beëindigen en restitutie toe te kennen vanaf september 2001. Namens appellante reageerde haar zoon met brieven waarin werd verzocht om restitutie vanaf 1989.
De Svb verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2005 niet-ontvankelijk, omdat de brieven van de zoon niet als bezwaarschrift werden erkend. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 21 september 2006 ongegrond, maar de Raad oordeelt dat de brief van 15 augustus 2005 onmiskenbaar als bezwaarschrift moet worden aangemerkt en tijdig was ingediend.
De telefonische notitie van 24 augustus 2005, waarin de brieven als niet verzonden zouden zijn beschouwd, is volgens de Raad geen rechtsgeldige intrekking van het bezwaar. De Raad vernietigt daarom de aangevallen uitspraak en het besluit van 21 september 2006 voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard, en beveelt een nieuw besluit op het bezwaar. Tevens wordt de Svb veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2005 is terecht als ontvankelijk aangemerkt en het besluit dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde wordt vernietigd.