ECLI:NL:CRVB:2008:BC5115

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5954 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Algemene dagloonregelen ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit dagloonvaststelling bij ziekte zonder verlenging referteperiode

Appellant was tot 1 oktober 2004 in dienst als beveiligingsbeambte en meldde zich ziek per 7 juli 2004. Het UWV kende hem ziekengeld toe gebaseerd op een dagloon van €34,27. Na bezwaar werd dit dagloon verhoogd naar €91,96. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat geen aanleiding was om de referteperiode van 13 weken te verplaatsen of te verlengen naar 52 weken.

Appellant stelde in hoger beroep dat sprake was van een doorlopend ziektegeval vanaf 12 maart 2004, waardoor een hoger dagloon zou moeten gelden vanwege genoten toeslagen in de referteperiode. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het ziektegeval doorliep vanaf maart 2004 en dat het UWV de referteperiode en het dagloon correct had vastgesteld.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en zag geen grond voor een proceskostenveroordeling. De beschikbare salarisstroken en loongegevens boden geen aanwijzingen voor een kennelijk onjuist dagloon. De uitspraak werd op 21 februari 2008 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon en de referteperiode van 13 weken correct zijn vastgesteld zonder verlenging.

Uitspraak

06/5954 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 augustus 2006, 05/4130 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 21 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is door mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2007. Namens appellant is verschenen mr. van Zundert, terwijl het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.B. Knollema, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was laatstelijk, tot zijn arbeidsovereenkomst per 1 oktober door de kantonrechter werd ontbonden, in dienstbetrekking als beveiligingsbeamte bij [werkgever]. Ter zake van zijn ziekmelding per 7 juli 2004 is hem bij besluit van 23 februari 2005 ziekengeld per 1 oktober 2004 ziekengeld toegekend van € 34,27 per dag.
Bezwaar tegen dit besluit het dagloon betreffend dat aan het ziekengeld ten grondslag ligt, is bij besluit van 15 november 2005 gegrond verklaard, in die zin dat het dagloon is verhoogd tot € 91,96.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard, op de grond dat geen aanknopingspunten aanwezig zijn om de door het Uwv gehanteerde referteperiode van 13 weken te verplaatsen naar een periode die eerder ligt dan 8 juli 2004. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden voor verlenging van de referteperiode van 13 naar 52 weken, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Algemene dagloonregelen ZW.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat sprake is van een doorlopend ziektegeval dat op 12 maart 2004 is begonnen en dat reeds hieruit een hoger dagloon zou moeten voortvloeien op grond van door appellant in de 13 weken voor die datum genoten toeslagen op het vaste loon. Naar de stelling van appellant laten de verdiensten, waarvan met name de toeslagen in 2003, voorts zien dat het dagloon kennelijk onjuist is.
De Raad stelt voorop dat, anders dan de gemachtigde van appellant kennelijk meent, het op de weg van appellant ligt om op basis van door hem aangebrachte gegevens aannemelijk te maken dat, zoals hij in de grond betoogt, hij bij de dagloonvaststelling tekort is gedaan, omdat hij tengevolge van ziekte minder inkomsten in de vorm van toeslagen heeft genoten.
De Raad stelt vast dat van de kant van appellant op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een doorlopend ziektegeval vanaf maart 2004, zodat de Raad de door het Uwv gehanteerde referteperiode van 13 weken voor 8 juli 2004 en het bepaalde dagloon juist acht, in aanmerking genomen dat over de in die periode genoten inkomsten geen verschil van mening bestaat tussen partijen.
Voor verlenging van de referteperiode tot 52 weken ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen enkele grond. De voorhanden salarisstroken van begin 2004 en het cumulatief verdiende loon 2003, zoals dat blijkt uit de laatste salarisstrook van 2003, bieden geen aanknopingspunten voor de stelling dat sprake zou zijn van een kennelijk onjuist dagloon
als bedoeld in eerder vermelde bepaling van de Algemene dagloonregelen ZW.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2008.
(get) R.C. Schoemaker
(get) A. Badermann
RG