ECLI:NL:CRVB:2008:BC5297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid na ziekenhuisopname
Appellante was sinds 1998 arbeidsongeschikt wegens rugklachten en ontving een WAO-uitkering van 80 tot 100%. Deze uitkering werd in 2001 ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht. Na een ziekenhuisopname meldde zij zich toegenomen arbeidsongeschikt, maar het UWV weigerde de uitkering te herzien.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, waarbij een onafhankelijke deskundige vaststelde dat er geen nieuwe medische feiten waren die een toename van arbeidsongeschiktheid konden verklaren. Het chronisch pijnsyndroom vertoonde een wisselend verloop en volledige bedrust werd niet medisch noodzakelijk geacht.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de medische grondslag onjuist was en dat zij wel degelijk volledige bedrust had, ondersteund door ziekenhuisvoorzieningen en verklaringen van artsen. De Raad oordeelde echter dat de deskundige zijn oordeel baseerde op eigen onderzoek en dossierstukken, en dat de medische adviezen en feiten geen aanwijzingen gaven voor volledige arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en vond geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De intrekking van de WAO-uitkering bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.