ECLI:NL:CRVB:2008:BC5342
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing hernieuwde ziekengeldaanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante had zich op 30 september 2004 ziek gemeld en kreeg op 7 april 2005 bericht dat zij vanaf die datum geen recht meer had op ziekengeld. Haar bezwaar tegen dit besluit werd wegens overschrijding van de termijn niet-ontvankelijk verklaard. Op 17 juli 2005 meldde zij zich opnieuw ziek bij het UWV met ingang van 8 april 2005. Het UWV wees dit verzoek op 13 september 2005 af, omdat er geen nieuwe feiten waren die haar arbeidsongeschiktheid bevestigden.
Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd op 5 december 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en stelde dat het UWV bevoegd was de aanvraag af te wijzen op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat er geen nieuwe feiten waren die een heroverweging rechtvaardigden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat de brief van 17 juli 2005 als een verzoek tot terugkomen op het eerdere besluit kon worden gezien. De Raad vond dat de door appellante aangevoerde medische informatie en persoonlijke omstandigheden geen nieuwe feiten waren die het besluit konden wijzigen.
De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter Ch. van Voorst op 27 februari 2008.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de hernieuwde ziekengeldaanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten.