AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek ingangsdatum WW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant was werkzaam bij een werkgever en zijn arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 30 september 2001 met toekenning van een ontbindingsvergoeding. Op 13 november 2001 werd een WW-uitkering toegekend met ingang van 1 november 2001, rekening houdend met een fictieve opzegtermijn.
Appellant verzocht later om herziening van de ingangsdatum van de uitkering naar de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, stellende dat hij de ontbindingsvergoeding niet had ontvangen maar dat het bedrag dat hij wel ontving, achterstallig loon betrof. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het gestelde niet leidt tot herziening omdat de ontbindingsvergoeding volgens de WW gelijkgesteld moet worden met loon over de opzegtermijn en dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een ander besluit rechtvaardigen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de ingangsdatum van de WW-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten.
Uitspraak
06/5915 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 september 2006, 05/1369 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 februari 2008.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1. Appellant is werkzaam geweest bij [werkgever] (hierna: werkgever). Zijn arbeidsovereenkomst is door tussenkomst van de kantonrechter per 30 september 2001 ontbonden, onder toekenning van een ontbindingsvergoeding ter hoogte van twee maandsalarissen. Bij besluit van 13 november 2001, in zoverre gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 28 november 2002, is aan appellant met ingang van 1 november 2001 een WW-uitkering toegekend. Bij het vaststellen van deze datum is door het Uwv, in verband met de aan appellant toegekende ontbindings-vergoeding, rekening gehouden met een fictieve opzegtermijn van één maand, als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW. Tegen het besluit van 28 november 2002 zijn door appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
2.2. In een brief van 14 september 2004 heeft appellant het Uwv verzocht om een WW-uitkering met ingang van de dag waarop zijn arbeidsovereenkomst is beëindigd. Deze brief is door het Uwv aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 13 november 2001. Het Uwv heeft met een besluit van 18 oktober 2004 dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De tegen dat besluit gerichte brief van appellant van 22 oktober 2004 is door het Uwv aangemerkt als een beroepschrift en doorgestuurd naar de rechtbank. De rechtbank Groningen heeft in een uitspraak van 26 mei 2005 het beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 oktober 2004 vernietigd. Daartoe is overwogen dat de brief van 14 september 2004 had moeten worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen op het rechtens onaantastbaar geworden besluit appellant een uitkering toe te kennen per 1 november 2001.
2.3. Bij besluit van 17 juni 2005 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 13 november 2001, omdat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft vermeld die voor het Uwv aanleiding zijn dat besluit te herzien. Het besluit van 17 juni 2005 is, na daartegen gericht bezwaar, gehandhaafd in de beslissing op bezwaar van 26 september 2005 (het bestreden besluit).
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Appellant stelt in hoger beroep dat herziening van het besluit inhoudend de toekenning van WW-uitkering per 1 november 2002 is gerechtvaardigd omdat zijn werkgever, naar hem in september 2004 is gebleken, de ontbindingsvergoeding niet heeft uitbetaald. Het bedrag, ongeveer ter hoogte van de ontbindingsvergoeding, dat de werkgever hem wel heeft betaald diende volgens appellant ter betaling van achterstallig loon over de laatste drie maanden van zijn dienstverband. Appellant stelt dat in het besluit van 28 november 2002 ten aanzien van de ingangsdatum van de uitkering ten onrechte rekening is gehouden met een hem toegekende ontbindingsvergoeding die hij - naar achteraf is gebleken - nooit heeft ontvangen.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. De Raad merkt op dat het daarbij moet gaan om nieuwe feiten of omstandigheden die van zodanige aard zijn dat zij tot een ander besluit aanleiding kunnen geven. Ingevolge het tweede lid van artikel 4:6 vanPro de Awb kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 vanPro de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
5.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft naar het oordeel van de Raad slechts betrekking op het in de ogen van appellant niet nakomen door de werkgever van betalingsverplichtingen jegens hem. De Raad is van oordeel dat het door appellant gestelde niet kan leiden tot het door appellant gewenste resultaat. Voor zover appellant heeft bedoeld te stellen dat de door de kantonrechter toegekende ontbindingsvergoeding hem wel is uitbetaald, maar dat deze moet worden aangemerkt als loon over de maanden juli 2001 tot en met september 2001 die de werkgever hem nog verschuldigd was, oordeelt de Raad dat artikel 16, derde lid, aanhef en onder b, van de WW zich daartegen verzet. Ingevolge deze bepaling moet de ontbindingsvergoeding worden gelijkgesteld met loon over de periode van 27 september 2001 tot en met 31 oktober 2001, nu de ontbindingsvergoeding onmiskenbaar inkomsten betreft waarop appellant recht had in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking. Derhalve is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 vanPro de Awb heeft vermeld.
6. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met een verwijzing naar het besluit van 13 november 2001. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
8. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008.