ECLI:NL:CRVB:2008:BC5637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek ingangsdatum WW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant was werkzaam bij een werkgever en zijn arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 30 september 2001 met toekenning van een ontbindingsvergoeding. Op 13 november 2001 werd een WW-uitkering toegekend met ingang van 1 november 2001, rekening houdend met een fictieve opzegtermijn.
Appellant verzocht later om herziening van de ingangsdatum van de uitkering naar de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, stellende dat hij de ontbindingsvergoeding niet had ontvangen maar dat het bedrag dat hij wel ontving, achterstallig loon betrof. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het gestelde niet leidt tot herziening omdat de ontbindingsvergoeding volgens de WW gelijkgesteld moet worden met loon over de opzegtermijn en dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een ander besluit rechtvaardigen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de ingangsdatum van de WW-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten.