ECLI:NL:CRVB:2008:BC5666

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-630 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering ondanks bijzondere belasting

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin haar verzoek om een WAO-uitkering werd afgewezen. Het UWV had eerder besloten geen uitkering toe te kennen omdat appellante wel beperkingen ondervond, maar geschikt werd geacht voor bepaalde functies die door een arbeidsdeskundige waren geselecteerd.

De Raad nam het standpunt van de rechtbank over dat de medische beperkingen die door de verzekeringsartsen waren vastgesteld, inclusief de whiplashklachten van appellante, niet te gering waren. Appellante leverde in hoger beroep geen nieuwe informatie die aanleiding gaf om aan deze bevindingen te twijfelen.

Appellante voerde aan dat de functies een bijzondere belasting bevatten die haar belastbaarheid te boven zou gaan, en dat het UWV dit nader moest motiveren. De Raad verwees echter naar een eerdere uitspraak waarin werd uitgelegd dat het begrip "bijzondere belasting" niet automatisch betekent dat de normaalwaarde wordt overschreden.

Daarom oordeelde de Raad dat appellante, met inachtneming van de beperkingen, geschikt was voor de geselecteerde functies en wees het hoger beroep af. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

06/630 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante]l (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2005, 05/2498 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L. de Groot, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarop volgend nog een nadere reactie op het beroepschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2007. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven.
Bij besluit van 31 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 januari 2005 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv geweigerd aan appellante per 23 februari (de Raad begrijpt:) 2005 een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellante met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat op grond van de stukken kan worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De Raad neemt in aanmerking dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van appellantes whiplash klachten ten gevolge van een aanrijding en met deze klachten ook rekening hebben gehouden bij het vaststellen van de functionele mogelijkheden van appellante.
Voorts heeft appellante ook in hoger beroep geen informatie overlegd die de Raad aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen inzake haar belastbaarheid op de datum in geding 23 februari 2005.
In hoger beroep is van de zijde van appellante ingebracht dat in de geduide functies melding gemaakt wordt van een bijzondere belasting hetgeen volgens appellante wil zeggen dat deze functies een belasting kennen welke de belasting in het dagelijks leven te boven gaat. Nu de belastbaarheid in de functies de normaalwaarde overtreft en aldus haar belastbaarheid te boven gaat dient deze overschrijding van haar beperkingen door het Uwv nader te worden gemotiveerd.
Ten aanzien van dit punt volstaat de Raad te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 februari 2008 (LJN: BC3237), waarin de Raad zijn oordeel over het begrip “bijzondere belasting” binnen het CBBS heeft neergelegd, welke er in het kort op neerkomt dat dit begrip niet per definitie inhoudt dat de normaalwaarde of de anderszins door de verzekeringsarts aangegeven waarde met betrekking tot iemands belastbaarheid (mogelijk) wordt overschreden.
Uit het vorengemelde vloeit voort dat de Raad van oordeel is dat appellante met inachtneming van de door de (bezwaar)verzekeringsartsen aangenomen beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2008.
(get.) R.C. Stam.
(get.) T.R.H. van Roekel.
JL