ECLI:NL:CRVB:2008:BC6051
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht interim-managers en beoordeling toezicht en leiding opdrachtgever
Appellante exploiteert een onderneming die interim-managementdiensten levert en sloot daartoe overeenkomsten met interim-managers en opdrachtgevers. Het UWV voerde een onderzoek uit naar de verzekeringsplicht van deze interim-managers over de jaren 2000 en 2001, waarbij voor 32 personen verzekeringsplicht werd aangenomen. Na bezwaar verklaarde het UWV het voor 17 personen niet gegrond wegens onvoldoende bewijs van toezicht en leiding, maar handhaafde dit voor de overige.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en oordeelde dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was voor zes personen, en bevestigde verzekeringsplicht voor elf anderen. In hoger beroep richtte appellante zich tegen het oordeel over elf personen, stellende dat het onderzoek te generiek was en dat geen sprake was van toezicht en leiding.
De Raad oordeelt dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat de gehanteerde vragenlijsten niet suggestief waren. Voor drie specifieke interim-managers ([G.], [K.] en [L.]) is onvoldoende gebleken van toezicht en leiding door de opdrachtgever, waardoor voor hen geen verzekeringsplicht geldt. Voor de overige is de verzekeringsplicht terecht aangenomen.
De Raad bevestigt daarmee de vernietiging van het besluit door de rechtbank en bepaalt dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd voor enkele interim-managers wegens onvoldoende bewijs van toezicht en leiding, en het UWV moet een nieuw besluit nemen.