ECLI:NL:CRVB:2008:BC6222

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2244 ZFW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over premiebetaling vrijwillige ziekengeldverzekering

Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar vrijwillige ziekengeldverzekering te beëindigen wegens niet-betaling van premie vanaf 22 april 2004. De rechtbank Arnhem verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens ontbreken van belang en vernietigde het bestreden besluit. Appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat appellante wel degelijk belang had bij een beslissing op haar bezwaar, omdat het ging om de verplichting tot premiebetaling voor de vrijwillige ziekengeldverzekering. De rechtbank had dit belang niet onderkend en daarom werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard.

De Centrale Raad bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 januari 2006. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, waaronder reiskosten en het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 28 februari 2008.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard en het UWV moet een nieuw besluit nemen over het bezwaar tegen de premiebetaling.

Uitspraak

07/2244 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante]
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 maart 2007, 06/2534 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2008, waar appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Op basis van de vrijwillige ziekengeldverzekering heeft appellante over de periode van
22 april 2003 tot en met 21 april 2004 een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangen, en aansluitend daarop een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
Bij besluit van 2 december 2005 heeft het Uwv de vrijwillige ziekengeldverzekering van appellante met ingang van 22 april 2004 beëindigd in verband met het feit dat zij sedert 22 april 2004 geen premie meer heeft betaald voor deze vrijwillige verzekering. Tegen dit besluit heeft appellante op 5 januari 2006, nader aangevuld bij brief van 10 januari 2006, een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 23 januari 2006 heeft het Uwv het besluit van 2 december 2005 ingetrokken en de over de jaren 2004 tot en met 2006 verschuldigde premie alsnog vastgesteld. Daartegen heeft appellante bij brief van 1 februari 2006 bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij met name aangevoerd dat zij, zolang zij volledig arbeidsongeschikt is geen premie verschuldigd is voor de vrijwillige ziekengeldverzekering.
Bij besluit van 8 maart 2006 heeft het Uwv het besluit van 23 januari 2006 ingetrokken en het besluit van 2 december 2005 alsnog gehandhaafd.
Bij besluit op bezwaar van 31 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante tegen het besluit van 2 december 2005 ongegrond verklaard, waarbij de motivering van het besluit van 2 december 2005 in die zin is gewijzigd, dat zijn niet meer voldoet aan de voorwaarden om verzekerd te blijven voor de vrijwillige ziekengeld verzekering.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepaling omtrent het griffierecht - het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2005 niet-ontvankelijk verklaard, en het besluit van 8 maart 2006 herroepen.
Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Ter zitting van de Raad heeft zij benadrukt verzekerd te willen blijven voor de vrijwillige ziekengeldverzekering, maar dat zij zich niet kan verenigen met de verplichting tot premiebetaling zolang zij volledig arbeidsongeschikt is. Zij heeft daarbij gewezen op het feit dat zij ten tijde van haar uitkering krachtens de Ziektewet over de periode 22 april 2003 tot en met 21 april 2004 ook geen premie verschuldigd was voor de vrijwillige ziekengeldverzekering. De door haar over die periode betaalde premies zijn door het Uwv volledig teruggestort.
De Raad is tot de volgende beoordeling gekomen.
Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bezwaar van appellante van
1 februari 2006 gericht tegen het besluit van 23 januari 2006 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 8 maart 2006. De rechtbank heeft evenwel overwogen dat gelet op het bepaalde in artikel 6:18, derde lid, van de Awb het Uwv niet bevoegd was tot het nemen van het besluit van 8 maart 2006, nu dit besluit met het oorspronkelijke besluit van
2 december 2005 overeenstemt en er geen sprake was van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 6:18, derde lid onderdeel a, van de Awb, dan wel van een dwaling van de zijde van het Uwv. De rechtbank heeft het besluit van 8 maart 2006 op die grond herroepen en het bezwaar van appellante voor zover dat zich richtte tegen het besluit van
2 december 2005 alsnog niet-ontvankelijk verklaard in verband met het ontbreken van enig belang. Appellante wordt als gevolg van de intrekking van dat besluit bij besluit van 23 januari 2006 alsnog verzekerd geacht voor de vrijwillige ziekengeldverzekering tegen betaling van premie.
De Raad stelt vast dat de rechtbank met de hierboven vermelde overweging niet heeft onderkend dat appellante wel een belang had bij een beslissing op haar bezwaar, namelijk voor zover dat bezwaar geacht moet worden gericht te zijn tegen het besluit van
23 januari 2006. Dit belang is gelegen tegen de in dat besluit neergelegde verplichting tot betaling van premie voor de vrijwillige ziekengeldverzekering. De Raad kan derhalve deze overweging van de rechtbank niet volgen.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt, behoudens voor zover daarin omtrent de vergoeding van het griffierecht in eerste aanleg is beslist. Het Uwv zal alsnog op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 januari 2006 moeten beslissen.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake de vergoeding van proceskosten, bestaande uit vergoeding van de reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 19,68.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het niet-ontvankelijk is verklaard;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2006 neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante ad € 19,68, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht ad € 133,-- aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en
N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2008.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Badermann.
RB1902