ECLI:NL:CRVB:2008:BC6227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen vaststelling gedifferentieerde WAO-premie
Appellante maakte bezwaar tegen de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor de jaren 2004 en 2005 door het UWV, omdat zij meende dat het premieplichtig loon onjuist was vastgesteld. Het bezwaar werd echter niet binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend. Het UWV verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk. Appellante voerde aan dat het bezwaar als een herzieningsverzoek moest worden aangemerkt en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege de complexiteit van de materie.
De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante redelijkerwijs de besluiten eerder had kunnen controleren en tijdig bezwaar had kunnen indienen, bijvoorbeeld door een voorlopig bezwaarschrift. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en wees het hoger beroep af. De Raad vond dat de bijzondere regeling in de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet afwijkt van de algemene bestuursrechtelijke regels omtrent bezwaar en herziening.
De Raad benadrukte dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante een herzieningsverzoek heeft ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.