ECLI:NL:CRVB:2008:BC6239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-634 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van gedifferentieerde WAO-premie na overgang van onderneming zonder tijdig rechtsmiddel

In deze zaak gaat het om een geschil over de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2005, waarbij de werkgever (appellante) betwist dat sprake is geweest van een overgang van onderneming. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had de premie vastgesteld en bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat er geen sprake was van een overgang van onderneming, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante dit standpunt niet meer mocht innemen omdat zij tegen eerdere besluiten omtrent de overgang van onderneming geen rechtsmiddelen had aangewend. Dit volgt uit eerdere uitspraken van de Raad en de duidelijke informatie die aan het Uwv was verstrekt.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met een verbetering van de gronden. Er worden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Schoemaker en leden Van der Net en Van Vulpen-Grootjans op 6 maart 2008.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

06/634 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 december 2005, 05/3786 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is door mr. B.A. Wille, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2007. Namens appellante zijn verschenen mr. Wille voornoemd en [naam directeur], directeur van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een uitvoerig overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 6 december 2004 heeft het Uwv voor het jaar 2005 de gedifferentieerde premie WAO-premie vastgesteld op 5,66%. Bezwaar hiertegen is bij besluit na bezwaar van 26 april 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, daarbij oordelend dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat per 1 januari 2002 sprake is geweest van overgang van de onderneming [naam BV] naar appellante.
In hoger beroep heeft appellante haar zienswijze gemotiveerd herhaald dat geen sprake is van een overgang van een onderneming.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad ziet in hoger beroep primair aan de orde zijn de vraag of het appellante in het kader van de toerekening van de WAO-uitkering van de betreffende (ex)werknemer nog vrij stond te bestrijden dat er sprake is geweest van overgang van onderneming.
De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend onder verwijzing naar zijn uitspraken van 27 oktober 2005 (USZ 2005/421) en 16 februari 2006 (LJN AX 8383). Appellante heeft immers tegen het besluit van 12 juni 2003 waarmee het Uwv de gevolgen van de overgang van onderneming voor de gedifferentieerde premie voor 2003 aan appellante heeft meegedeeld, geen rechtsmiddel aangewend. Ook tegen het besluit van 17 juli 2003 waarbij de gedifferentieerde premie voor 2003 andermaal is vastgesteld is geen rechtsmiddel aangewend. Ditzelfde is ter zitting gebleken ten aanzien van een besluit waarin de gedifferentieerde premie voor 2004 werd vastgesteld. De Raad kan niet anders concluderen dan dat het appellante uit eerstvermeld besluit volstrekt duidelijk had moeten zijn dat aan dat besluit ten grondslag is gelegd dat appellante [naam BV] heeft overgenomen. Dit spoorde ook volledig met de door [B.], salarisadministrateur van appellante, aan het Uwv verstrekte informatie dat sprake was van overgang van een onderneming.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2008.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
IJ