ECLI:NL:CRVB:2008:BC6255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van terugvordering WAZ-uitkering wegens juiste vaststelling maatmaninkomen
Appellant, voormalig zelfstandige met een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, betwistte de vaststelling van zijn maatmaninkomen door het UWV, wat leidde tot schorsing en terugvordering van zijn uitkering. Hij stelde dat zijn inkomen hoger was dan door het UWV aangenomen, onderbouwd met een oude prognose van zijn accountant.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, waarbij werd aangenomen dat het UWV de juiste arbeidskundige methode had toegepast en appellant onvoldoende bewijs had geleverd voor zijn hogere inkomensclaim. In hoger beroep werd dit standpunt bevestigd. De Raad oordeelde dat het UWV verplicht was tot terugvordering van onverschuldigde betalingen en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het maatmaninkomen hoger moest worden vastgesteld.
De Raad wees erop dat het niet betwiste inkomen over 2003 en 2004 een indicatie gaf dat het maatmaninkomen significant hoger dan het gehanteerde bedrag zou moeten zijn om tot een andere uitkomst te komen. De enkele prognose van de accountant uit 1977 woog onvoldoende. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WAZ-uitkering blijft in stand.