ECLI:NL:CRVB:2008:BC6510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor functies bij WAO-uitkering
Appellante stelde in hoger beroep dat haar WAO-uitkering onjuist was berekend en dat ten onrechte een arbeidsduurbeperking van 24 uur per week was vastgesteld in plaats van 20 uur. Het Uwv had haar uitkering verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% per 4 maart 1999 en 3 oktober 2001.
De rechtbank had een onafhankelijke revalidatiearts benoemd die concludeerde dat de vastgestelde beperkingen juist waren. De Raad liet vervolgens deskundigen prof. dr. H.J. Stam en prof. dr. E. Hoencamp onderzoek doen, die bevestigden dat appellante geschikt was voor de geselecteerde functies met een arbeidsduurbeperking van 24 uur per week.
De Raad oordeelde dat de door de deskundigen vastgestelde belastbaarheid en geschiktheid voor werk juist waren vastgesteld en dat appellante de werkzaamheden kon verrichten. De stelling van appellante dat een lagere arbeidsduurbeperking van 20 uur per week zou gelden, was onvoldoende onderbouwd.
Daarom werd het bestreden besluit van het Uwv en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de onafhankelijke deskundigen en wees het beroep van appellante af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering terecht is vastgesteld met een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en een arbeidsduurbeperking van 24 uur per week.