ECLI:NL:CRVB:2008:BC6859

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3586 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 lid 5 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering bij voorlopige hechtenis

Appellant was arbeidsongeschikt en ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) trok deze uitkering in per 18 mei 2005 omdat appellant sinds 18 april 2005 rechtens van zijn vrijheid was ontnomen door voorlopige hechtenis.

Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking en stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was, omdat de voorlopige hechtenis aan de wettelijke criteria voldeed, ondanks dat deze later deels onterecht bleek en geschorst werd.

Appellant vorderde in hoger beroep dat de heropening van de uitkering niet per 27 september 2005, maar per 18 augustus 2005 zou ingaan, omdat hij vanaf die datum ten onrechte in voorlopige hechtenis had gezeten. De Raad oordeelde echter dat het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank zich niet richtten op de heropening van de uitkering, maar op de intrekking ervan per 18 mei 2005.

De Centrale Raad van Beroep zag geen grond om het bestreden besluit onrechtmatig te achten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens voorlopige hechtenis.

Uitspraak

06/3586 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2006, WAO 05/2215 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn uiteengezet bij beroepschrift van 21 juni 2006. Bij brief van 10 juli 2006 heeft het Uwv verweer gevoerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008.
Namens appellant is verschenen mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat te Amsterdam. Namens het Uwv is verschenen mr. C.F. Sitvast.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 2 mei 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 18 mei 2005 ingetrokken, aangezien appellant zijn vrijheid rechtens is ontnomen met ingang van 18 april 2005.
Bij besluit van 9 augustus 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 mei 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de imperatieve bepaling van artikel 43, vijfde lid, van de WAO waarin is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken indien de verzekerde rechtens van zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de voorlopige hechtenis van appellant heeft aangemerkt als “rechtens zijn vrijheid is ontnomen” in de zin van evenvermelde wettelijke bepaling.
Dat de voorlopige hechtenis op 27 september 2005 is geschorst en dat de voorlopige hechtenis voor een deel onterecht is geweest heeft de rechtbank niet van belang geacht.
Het Uwv heeft bij besluit van 29 september 2005 ingaande 27 september 2005 de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant heropend.
Appellant heeft in hoger beroep gevorderd dat de uitkering reeds ingaande 18 augustus 2005 wordt heropend, nu hij vanaf deze datum ten onrechte in voorlopige hechtenis heeft gezeten gelet op het veroordelend vonnis van 27 oktober 2005 van de strafrechter. Appellant heeft hierbij er op gewezen dat hij voor dit deel geen schadevergoeding kan eisen nu hij weliswaar is vrijgesproken voor het feit waarvoor de aanvankelijke voorlopige hechtenis was bevolen, maar is veroordeeld voor andere feiten.
De Raad stelt in het licht van het bovenstaande en onder verwijzing naar het besprokene ter zitting vast dat de bezwaren van appellant zich in feite niet richten tegen de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaande 18 mei 2005, maar tegen de heropening van die uitkering per 27 september 2005, welke heropeningsdatum volgens appellant op een eerdere datum had dienen te worden bepaald.
Nu het bestreden besluit evenwel niet ziet op de (ingangsdatum van) heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering komt de Raad ter zake daarvan in het kader van de onderhavige procedure geen oordeel toe.
De Raad ziet gelet op het voorgaande geen grond te oordelen dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte rechtmatig heeft geoordeeld.
De bestreden uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en J.W. Schuttel en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.W.A. Schimmel.
TM