ECLI:NL:CRVB:2008:BC6860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vaststelling dagloon in WW-uitkering
Appellant werkte sinds 3 september 2001 bij Stichting Amsterdam Thuiszorg. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 november 2003 kende het UWV een WW-uitkering toe met een dagloon van €64,47. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, omdat het UWV geen salaris had meegenomen over de periode 20 augustus tot 15 september 2003, waarin hij volgens zijn werkgever niet aan re-integratieverplichtingen voldeed.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant geen loonvordering had ingesteld tegen zijn werkgever en dat het UWV daarom terecht het salaris over die periode niet had meegenomen in het dagloon. Wel bleek dat het UWV ten onrechte geen rekening had gehouden met vakantietoeslag bij de dagloonberekening.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het besluit van 27 mei 2004 en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen waarin ook de vakantietoeslag wordt meegenomen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen waarbij ook vakantietoeslag wordt meegenomen.