ECLI:NL:CRVB:2008:BC6992

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3534 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over arbeidsongeschiktheid na onvolledige motivering

Appellante meldde zich ziek na een aanrijding en ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV met een mate van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank vond geen aanleiding om het medisch onderzoek of de arbeidskundige beoordeling onzorgvuldig te achten. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de medische beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat de verzekeringsartsen de klachten van appellante hadden meegewogen.

Het UWV erkende echter dat de arbeidskundige motivering in de procedure onvoldoende gestructureerd was en voegde een nadere rapportage toe. De Raad stelde vast dat deze aanvullende toelichting nu wel voldoende inzicht biedt in de medische en arbeidskundige grondslag van de schatting. Omdat deze juiste motivering pas in hoger beroep is gegeven, vernietigt de Raad het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen ervan ongewijzigd.

De Raad veroordeelt het UWV tot betaling van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/3534 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 mei 2006, 05/4869 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2008. Namens appellante is verschenen mr. Volbeda. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.
II. OVERWEGINGEN
Appellante heeft zich op 15 januari 2004 ziek gemeld met klachten als gevolg van een aanrijding.
Bij besluit van 3 februari 2005 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 12 december 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Bij het thans bestreden besluit van 19 oktober 2005 heeft het Uwv het tegen het besluit van 3 februari 2005 door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
De rechtbank heeft in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen steun gevonden voor het standpunt van appellante dat er sprake is van een onvolledig of onzorgvuldig medisch onderzoek en dat er meer beperkingen in Functionele Mogelijkheden Lijst opgenomen hadden moeten worden.
Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit was de rechtbank van oordeel dat het Uwv de aan appellante voorgehouden functies van een toereikende motivering heeft voorzien, zowel bij het licht van appellantes lichamelijke als psychische beperkingen.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat op grond van de stukken kan worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De Raad neemt in aanmerking dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van appellantes klachten en bij hun oordeelsvorming de door appellante overlegde medische informatie meegewogen hebben.
Voorts heeft appellante ook in hoger beroep geen informatie overgelegd die de Raad aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen inzake haar belastbaarheid voor gangbare arbeid op de datum in geding 12 december 2004.
Bij schrijven van 25 januari 2008 is van de zijde van het Uwv aangegeven dat er een duidelijke structuur ontbreekt in de arbeidskundige motivering in de onderhavige procedure en dat bovendien in de loop der tijd door jurisprudentie van de Raad de eisen die gesteld worden aan deze motivering aangescherpt zijn. In verband hiermee heeft het Uwv ter opheffing van deze onvolkomenheid een nadere rapportage van 22 januari 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige M.P.M. Jacobi-Verstegen bijgevoegd.
Ter zitting heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat met deze nadere rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige de schatting alsnog van een deugdelijke toelichting is voorzien, aldus dat thans voldoende inzicht en mogelijkheid wordt geboden tot toetsing van de medische en arbeidskundige grondslag van de onderhavige schatting. De Raad kan zich hiermee verenigen.
Nu evenwel – met het Uwv – moet worden geconstateerd dat het bestreden besluit eerst in de fase van het hoger beroep van een juiste grondslag en toereikende onderbouwing is voorzien, ziet de Raad aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen, zij het onder instandlating van de rechtsgevolgen ervan.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
JL