ECLI:NL:CRVB:2008:BC7316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit WAO-uitkering met instandhouding rechtsgevolgen
Appellante was sinds 26 juni 2000 arbeidsongeschikt door spanningsklachten en nek- en hoofdpijn en ontving vanaf 25 juni 2001 een WAO-uitkering van 80 tot 100%.
In november 2004 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en selecteerde een arbeidsdeskundige functies waarmee appellante volgens het UWV weer kon werken. Op basis hiervan werd de WAO-uitkering per 28 februari 2005 ingetrokken. Appellante maakte bezwaar, waarop een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige rapporten opstelden die het UWV-standpunt ondersteunden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad oordeelt dat het besluit vóór 1 juli 2005 is genomen zonder de gewenste arbeidskundige onderbouwing. Daarom vernietigt de Raad het besluit, maar laat de rechtsgevolgen met toepassing van artikel 8:72 Awb Pro in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het intrekkingsbesluit van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.