ECLI:NL:CRVB:2008:BC7322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor WAO-functies
Appellante meldde zich op 8 maart 2004 ziek en kreeg aanvankelijk ziekengeld toegekend. Bij besluit van 21 juli 2005 werd haar ziekengeld stopgezet omdat zij niet meer ongeschikt werd geacht voor de geduide functies die in het kader van de WAO voor haar geschikt waren bevonden. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit oordeel. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat verzekeringsartsen op grond van medische rapporten, inclusief aandacht voor alcoholproblematiek en whiplashklachten, hadden vastgesteld dat appellante geschikt was voor de betreffende functies. De Raad vond het onderzoek zorgvuldig en zag geen reden om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts te betwijfelen.
De Raad bevestigde dat onder “zijn arbeid” in artikel 19 Ziektewet Pro wordt verstaan de arbeid die aansluit bij de WAO-gecertificeerde functies, waarbij elke functie afzonderlijk als maatstaf geldt. Appellante kon deze functies verrichten ondanks spanningen en alcoholgebruik. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 maart 2008, waarbij appellante niet aanwezig was en het UWV werd vertegenwoordigd door een raadsman.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellante niet meer ongeschikt werd geacht voor de WAO-functies.