ECLI:NL:CRVB:2008:BC7326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatman en dagloon bij toekenning WAO-uitkering na deeltijdarbeid
Appellant, die sinds 1990 in deeltijd (20 uur per week) werkzaam was bij de gemeente, kreeg een WAO-uitkering toegekend naar aanleiding van burnoutklachten die in november 2000 ontstonden. Hij stelde dat zijn uitkering en dagloon op een voltijdse maatmanfunctie moesten worden gebaseerd, omdat hij bij het ontstaan van zijn visusklachten nog voltijds werkte bij de Belastingdienst.
De rechtbank en de Centrale Raad oordeelden dat het verzoek van appellant neerkomt op een herziening van een eerder pensioenfondsbesluit uit 1994, waarin werd vastgesteld dat hij vanaf 1 januari 1993 niet arbeidsongeschikt was voor zijn toenmalige functie bij de Belastingdienst. Dit verzoek valt buiten het bestreden besluit dat alleen betrekking heeft op de arbeidsongeschiktheid vanaf november 2000.
De Raad benadrukte dat appellant reeds een volledige WAO-uitkering ontvangt op basis van zijn arbeidsongeschiktheid vanaf 15 november 2001 en dat de maatmanfunctie van 20 uur per week, die hij bij de gemeente vervulde, correct is toegepast bij de vaststelling van de uitkering en het dagloon. De wettelijke regels laten geen ruimte om de uitkering te baseren op een voltijdse functie, aangezien appellant na 1993 uitsluitend in deeltijd werkte.
De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De WAO-uitkering is terecht gebaseerd op de deeltijdmaatmanfunctie van 20 uur per week en het bijbehorende dagloon.