ECLI:NL:CRVB:2008:BC7337
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geschiktheid betrokkene voor WAO-functies en in stand houden rechtsgevolgen besluiten
Betrokkene, voorheen werkzaam als slager, viel uit op 24 februari 2003 en ontving een WAO-uitkering van 80-100%. Bij besluit van 11 april 2005 werd deze uitkering herzien naar 55-65% arbeidsongeschiktheid per 6 juni 2005. Vervolgens ontving betrokkene een WW-uitkering en later een Ziektewet-uitkering die per 13 maart 2006 werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond en vernietigde de bestreden besluiten, waarbij appellant werd opgedragen nieuwe besluiten te nemen. De Raad beoordeelde de motivering van de arbeidskundige grondslag als onvoldoende, met name vanwege onvoldoende toelichting op signaleringen in de geautomatiseerde functieselectie.
In hoger beroep werd een aanvullende rapportage van de arbeidsdeskundige overgelegd die de geschiktheid van betrokkene voor ten minste drie functies aannemelijk maakte. De Raad stelde vast dat betrokkene per 6 juni 2005 en per 13 maart 2006 in staat is ten minste één van de geselecteerde functies te vervullen, waaronder lederbewerker en productiemedewerker confectie.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken voor zover appellant werd opgedragen nieuwe besluiten te nemen, maar bevestigde deze voor het overige en bepaalde dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten volledig in stand blijven. Tevens werd appellant veroordeeld in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.
Uitkomst: De Raad bevestigt de geschiktheid van betrokkene voor ten minste één WAO-functie en houdt de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand.