ECLI:NL:CRVB:2008:BC7792

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1570 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10, tweede lid, Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 12, eerste lid, LoonadministratiebesluitArt. 3 Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 5 Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 15 Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering 2002
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling boete wegens niet tijdig indienen jaarloonopgave met onvolledige gegevens

Appellante kreeg door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een boete opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de jaarloonopgave over 2004. Het Uwv kwalificeerde dit aanvankelijk als een vergrijp met opzet of grove schuld, wat resulteerde in een hoge boete van €57.881. Appellante stelde bezwaar in, dat werd afgewezen door het Uwv en de rechtbank.

In hoger beroep wijzigde het Uwv haar standpunt en kwalificeerde de overtreding als verzuim, met een maximale boete van €4.538. De Raad stelde vast dat de eerste ingediende jaarloonopgave niet verwerkt kon worden vanwege ontbrekende sofinummers, en dat appellante meerdere keren was gewezen op de onvolledigheid. Er was geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen dat de ingediende opgave voldeed.

De Centrale Raad van Beroep vernietigde het eerdere besluit en stelde de boete vast op €4.538. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. Het beroep werd gegrond verklaard en het besluit van 6 december 2005 vernietigd.

Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €4.538 en het eerdere besluit vernietigd.

Uitspraak

07/1570 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 februari 2007, 05/2848 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat te Maasbracht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2008. Voor appellante zijn verschenen mr. Meuwissen, voornoemd, R. [L.] en C.R. [N.] respectievelijk als hoofd administratie en administratief medewerkster werkzaam bij appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 9 september 2005 heeft het Uwv appellante wegens het niet tijdig indienen van de jaaropgave over het jaar 2004 een boete opgelegd van € 57.881,--. De boete is bepaald op 37,5% van de ambtshalve opgelegde premie. Het Uwv heeft de overtreding gekwalificeerd als een vergrijp omdat deze aan opzet of grove schuld is te wijten, nu gedaagde verschillende keren is verzocht de jaarloonopgaven in te zenden en zij dit niet tijdig heeft gedaan. Tevens is vastgesteld dat sprake is van een derde overtreding.
Bij besluit van 6 december 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 september 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 6 december 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.
Ter zitting van de Raad heeft Uwv een gewijzigd standpunt ingenomen in die zin dat de overtreding van appellante thans wordt gekwalificeerd als verzuim en dat de boete als gevolg daarvan dient te worden vastgesteld op € 4.538,-- (het maximum).
Met betrekking tot deze boete komt de Raad tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat de jaarloonopgave over het jaar 2004 die door appellante de eerste maal is ingezonden niet door het Uwv verwerkt kon worden, omdat van een aantal werknemers de sofinummers ontbraken. Het Uwv heeft appellante dit ook bij brief van 8 februari 2005 meegedeeld. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in verband hiermede terecht het standpunt ingenomen dat de jaaropgave van appellante over het jaar 2004 niet binnen de daarvoor in artikel 12, eerste lid, van het Loonadministratiebesluit gestelde termijn is ontvangen, en dat appellante niet op de juiste wijze heeft voldaan aan de voor haar op grond van artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) geldende verplichting tot het doen van loonopgave over 2004. Het Uwv was dan ook gelet op artikel 12 van Pro de CSV gehouden een boete op te leggen.
Het bepaalde in de artikelen 3 en 5 van het Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering en artikel 15 van Pro het Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering 2002 voorziet in gevallen als dat van appellante in een boete van € 4.538,--. Daarbij stelt de Raad vast dat sprake is van een derde overtreding waarvoor een boete is opgelegd.
Tenslotte is de Raad niet gebleken van toezeggingen dan wel mededelingen van de zijde van het Uwv op grond waarvan bij appellante het gerechtvaardigd vertrouwen zou kunnen zijn gewekt dat geen bezwaar bestond tegen de wijze waarop appellante haar jaarloonopgaven (zonder vermelding van alle sofi-nummers) heeft ingediend. Integendeel, appellante is blijkens de door haar overgelegde correspondentie er meerdere malen op gewezen dat haar jaarloonopgaven niet voldoen aan de richtlijnen die daarvoor gelden. Uit het enkele feit dat het Uwv hierin eerder geen aanleiding heeft gevonden om een boete op te leggen, mag geen gerechtvaardigd vertrouwen voor de toekomst worden ontleend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel treft dan ook geen doel.
Uit het voorgaande volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep van appellante tegen het ten aanzien van haar genomen besluit van 6 december 2005 alsnog gegrond dient te worden verklaard en dat dat besluit, voor zover betrekking hebbend op de hoogte van de opgelegde boete, dient te worden vernietigd. De Raad zal, zelf in de zaak voorziend, bepalen dat aan appellante een boete van € 4.538,-- wordt opgelegd.
De Raad ziet, ten slotte, aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. Het verzoek van appellante tot integrale vergoeding van de proceskosten wijst de Raad af, nu bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht ontbreken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 6 december 2005;
Bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 4.538,--;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 713,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2008.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Badermann.
RB