ECLI:NL:CRVB:2008:BC7800
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en motiveringsgebrek in hoger beroep
Appellante, werkzaam als receptioniste/management assistente, viel uit met klachten aan haar rechterarm en hand en ontving een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling stelde het UWV de uitkering bij naar 25-35% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundige rapporten.
Appellante voerde aan dat haar beperkingen werden onderschat, onder meer vanwege pijnklachten en fysiotherapiebehandelingen die voltijds werken onmogelijk maakten. Zowel de primaire verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts concludeerden echter dat het resterend arbeidsvermogen juist was vastgesteld. De Raad achtte de motivering van het UWV in eerste instantie onvoldoende, waardoor het bestreden besluit werd vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de rechtsgevolgen van het besluit ongewijzigd bleven. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in beroep en hoger beroep, waaronder kosten voor rechtsbijstand en medische rapporten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet in staat was voltijds te werken en bevestigde dat de beperkingen in de FML adequaat waren vastgesteld. De uitspraak benadrukt het belang van een voldoende gemotiveerd besluit in de herziening van WAO-uitkeringen.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.