ECLI:NL:CRVB:2008:BC8095

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-225 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:77 AwbArt. 8:70 AwbArt. 26 BeroepswetArt. 25 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van uitspraak inzake weigering Ziektewetuitkering

Appellant maakte bezwaar tegen de weigering van het UWV om een Ziektewetuitkering toe te kennen vanaf 6 september 2006. De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep ongegrond, maar de uitspraak bevatte geen motivering, wat een vereiste is volgens de Algemene wet bestuursrecht.

De Centrale Raad van Beroep constateerde dat de rechtbank per abuis een onvolledig concept als definitieve uitspraak had verzonden, waardoor de uitspraak niet voldeed aan artikel 8:77 Awb Pro. De Raad vernietigde daarom de uitspraak en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor een volledige beoordeling.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht. De zaak wordt nu opnieuw behandeld door de rechtbank Maastricht.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere behandeling.

Uitspraak

08/225 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 november 2007, 07/375 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Heek, werkzaam bij de Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een onderzoek ter zitting, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 19 oktober 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 6 september 2006 een uitkering ingevolge van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.
Het daartegen ingestelde bezwaar is bij het bestreden besluit van 7 februari 2007 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen omdat hij van mening is dat de rechtbank zonder nadere overwegingen het beroep ongegrond heeft verklaard.
De rechtbank heeft aangegeven dat de aangevallen uitspraak een onvolledig concept betreft dat per abuis als definitieve versie door de rechter en de griffier is getekend en verzonden.
Artikel 8:77, eerste lid, onder b, van de Awb, stelt als voorwaarde aan een schriftelijke uitspraak dat deze een motivering bevat die aan het krachtens artikel 8:70 van Pro de Awb uitgesproken dictum ten grondslag ligt. De Raad stelt vast dat in de aangevallen uitspraak een dergelijke motivering ontbreekt en de aangevallen uitspraak om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.
Aangezien de zaak naar het oordeel van de Raad nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet naar de rechtbank terugwijzen.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- voor de kosten van rechtsbijstand.
Gelet op het bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Maastricht;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
TM