ECLI:NL:CRVB:2008:BC8105

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6049 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
  • S. Sweep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV en toekenning schadevergoeding wegens ondeugdelijke medische grondslag

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarin een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd geweigerd. Het UWV erkende later dat het oorspronkelijke besluit was gebaseerd op een ondeugdelijke medische grondslag en gaf aan alsnog een uitkering toe te kennen met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.

De Centrale Raad van Beroep vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de schade die appellante lijdt, waaronder de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.

Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten in zowel beroep als hoger beroep, alsmede vergoeding van kosten voor het inwinnen van medische informatie en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gebaseerd op het advies van een door de Raad geraadpleegde psychiater en de toepasselijkheid van bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit en vergoeding van schade en proceskosten.

Uitspraak

05/6049 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van
25 augustus 2005, 05/1113 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. van der Bent.
Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek ter heropenen.
Door de Raad desverzocht heeft psychiater prof. dr. G.F. Koerselman bij rapport van
27 november 2007 van verslag en advies gediend met betrekking tot enige omtrent de gezondheidstoestand en het vermogen tot het verrichten van arbeid van appellante gerezen vragen.
Het geding is te hernieuwde behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 15 februari 2008. Beide partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij schrijven van 9 januari 2008 heeft het Uwv te kennen gegeven de conclusies van de door de Raad geraadpleegde deskundige te zullen volgen, dat daarom aan appellante alsnog per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering zal worden toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dat na afronding van onderzoek naar de hoogte van het dagloon een toekenningsbesluit zal worden uitgereikt.
In verband hiermee kan het bestreden besluit van 6 januari 2005, als berustend op een ondeugdelijke medische grondslag, niet in stand blijven. De aangevallen uitspraak alsmede dat besluit dienen te worden vernietigd.
Het Uwv dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante. Daarbij zal ook moeten worden beslist op het verzoek van de zijde van appellante tot vergoeding van de kosten in bezwaar.
Appellante heeft op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht het Uwv te veroordelen in de schade die zij lijdt.
Dit verzoek dient te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante toekomende vergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN: ZB1495.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voorts dient het Uwv een bedrag van € 43,- te vergoeden voor kosten gemaakt door appellante voor het inwinnen van medische informatie.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, tot een bedrag groot
€ 1.009,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) S. Sweep.
CVG