ECLI:NL:CRVB:2008:BC8121

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1371 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 15-25%

Appellante, die wegens nek-, schouder- en vermoeidheidsklachten arbeidsongeschikt werd verklaard, stelde in hoger beroep dat haar klachten door de verzekeringsartsen waren onderschat en dat zij niet geschikt was voor de geselecteerde functies. De rechtbank had eerder vastgesteld dat zij voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt was en haar een WAO-uitkering toegekend.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld zonder aanwezigheid van partijen en concludeert dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig is uitgevoerd. De Raad acht de vastgestelde beperkingen en de geschiktheid voor de voorgehouden functies juist vastgesteld. De door appellante overgelegde rapportage van een zenuwarts wordt onvoldoende gemotiveerd geacht en geeft geen aanleiding tot het herroepen van het oordeel van de verzekeringsartsen.

De Raad ziet geen noodzaak voor het inschakelen van een deskundige en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

06/1371 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 januari 2006, 05/721
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, werkzaam bij Delescen advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 15 februari 2008, waar partijen met bericht van afwezigheid niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, tussen partijen niet bestreden, feiten en omstandigheden.
Appellante, die laatstelijk werkzaam was als afdelingschef in een supermarkt, is op
6 januari 2003 uitgevallen wegens nek-, schouder- en vermoeidheidsklachten.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het Uwv terecht en op goede gronden aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 5 januari 2004 heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Zij heeft daartoe de juistheid onderschreven van het aan het bestreden besluit van 10 oktober 2005 ten grondslag liggende standpunt dat appellante, uitgaande van de door de verzekeringsarts ten aanzien van haar vastgestelde beperkingen, per 5 januari 2004 in staat was met de haar voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat zij voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
Namens appellante zijn de eerdere beroepsgronden herhaald. Deze houden - kort samengevat - in dat de klachten van appellante door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn onderschat en dat zij niet in staat is om de geselecteerde functies te vervullen. Ter ondersteuning is verwezen naar de overgelegde rapportage van zenuwarts
dr. H.L.S.M. Busard en is verzocht om inschakeling van een deskundige.
De Raad overweegt als volgt.
Het hoger beroep richt zich niet tegen de toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht door de rechtbank, zodat daarmee tevens de daarin begrepen beslissing over de in bezwaar gevallen kosten buiten het bereik van de Raad is gelegen.
Naar het oordeel van de Raad is het geneeskundig onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts heeft appellante onderzocht, informatie bij de behandelend reumatoloog opgevraagd en meegewogen. In een vervolgrapportage heeft deze arts de diagnose fibromyalgie, beginnende artrose aan de handen en atopische constitutie gesteld en aangegeven dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst voldoende rekening is gehouden met de hieruit voortvloeiende beperkingen van appellante. Ten aanzien van de rapportage van zenuwarts Busard is de Raad van oordeel dat Busard zijn conclusie dat appellante niet in staat is om volledig te werken op grond van de diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis, niet genoegzaam heeft gemotiveerd, nu daaraan mede de eigen hypothese van appellante ten aanzien van haar belastbaarheid ten grondslag is gelegd. De Raad heeft dan ook geen reden gevonden om de conclusies van de bezwaarverzekeringsartsen voor onjuist te houden. In het bovenstaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een deskundige te raadplegen.
Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, heeft de Raad evenmin grond om te oordelen dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en
R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
RJB