ECLI:NL:CRVB:2008:BC8134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeschiktheid tot arbeid en beëindiging recht op ziekengeld
Appellant was werkzaam als tuinbouwmedewerker tot 15 juli 2004 en ontving daarna een WW-uitkering. Op 9 november 2004 meldde hij zich ziek met linkerschouderklachten. Na onderzoeken door verzekeringsarts E.N. Ali en bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn, waarbij geen medische afwijkingen werden vastgesteld, verklaarden zij appellant per 7 februari 2005 hersteld voor zijn laatst verrichte werk.
Het UWV besloot daarom het recht op ziekengeld met ingang van die datum te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit, mede op basis van medisch onderzoek en het ontbreken van tegenbewijs.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en zag geen aanleiding tot een ander oordeel, mede omdat appellant geen aanvullende medische onderbouwing aanvoerde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en toepassing van artikel 8:75 Awb Pro werd niet noodzakelijk geacht.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld beëindigd per 7 februari 2005.