ECLI:NL:CRVB:2008:BC8134

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3368 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongeschiktheid tot arbeid en beëindiging recht op ziekengeld

Appellant was werkzaam als tuinbouwmedewerker tot 15 juli 2004 en ontving daarna een WW-uitkering. Op 9 november 2004 meldde hij zich ziek met linkerschouderklachten. Na onderzoeken door verzekeringsarts E.N. Ali en bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn, waarbij geen medische afwijkingen werden vastgesteld, verklaarden zij appellant per 7 februari 2005 hersteld voor zijn laatst verrichte werk.

Het UWV besloot daarom het recht op ziekengeld met ingang van die datum te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit, mede op basis van medisch onderzoek en het ontbreken van tegenbewijs.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en zag geen aanleiding tot een ander oordeel, mede omdat appellant geen aanvullende medische onderbouwing aanvoerde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en toepassing van artikel 8:75 Awb Pro werd niet noodzakelijk geacht.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld beëindigd per 7 februari 2005.

Uitspraak

06/3368 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 april 2006, 05/5988 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M. Folkers.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is tot 15 juli 2004 via een uitzendbureau werkzaam geweest als tuinbouwmedewerker. Aansluitend heeft hij een uitkering ontvangen ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit deze situatie heeft appellant zich op 9 november 2004 ziek gemeld met linkerschouderklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding is appellant door de verzekeringsarts E.N. Ali op de spreekuren van 23 december 2004 en 1 februari 2005 onderzocht. Tijdens het laatste spreekuur heeft appellant aangegeven dat de klachten waren afgenomen en dat hij niet meer bij de fysiotherapeut onder behandeling was. Bij het onderzoek werd een onbeperkte beweeglijkheid van de linkerschouder waargenomen, waarna de verzekeringsarts appellant met ingang van 7 februari 2005 hersteld heeft verklaard voor het laatst verrichte werk van tuinbouwmedewerker.
Bij besluit van 2 februari 2005 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij met ingang van 7 februari 2005 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en dat hij derhalve met ingang van die datum geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).
In het kader van het door appellant tegen het besluit van 2 februari 2005 gemaakte bezwaar heeft hij op 12 april 2005 het spreekuur bezocht van de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn. Na lichamelijk onderzoek en bestudering van het dossier en de opgevraagde informatie van de behandelend sector, heeft Van Duijn geconcludeerd dat de medische onderbouwing van het primaire besluit geheel kan worden gehandhaafd.
Bij besluit van 26 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog daartoe – kort weergegeven – dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts appellant beiden hebben onderzocht en dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn beoordeling tevens beschikte over informatie van de behandelend orthopeed S. de Lange van 4 mei 2005, waaruit blijkt dat lichamelijk onderzoek op 15 maart 2005 en röntgenfoto’s van beide schouders geen afwijkingen opleverden. Nu appellant voorts geen medische stukken heeft overgelegd op basis waarvan getwijfeld zou kunnen worden aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen, heeft het Uwv zich op het standpunt kunnen stellen dat appellant met ingang van 7 februari 2005 weer in staat moet worden geacht zijn laatst verrichte functie van tuinbouwmedewerker te verrichten, aldus de rechtbank.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In hetgeen in hoger beroep, zonder nadere medische onderbouwing, is aangevoerd heeft de Raad geen reden gezien voor een andersluidend oordeel.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) M. Lochs.
RJB