ECLI:NL:CRVB:2008:BC8165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens herstel arbeidsvermogen schoonmaker
Appellant, voorheen werkzaam als schoonmaker, viel in 1998 uit wegens lage rugpijn en kreeg een WAO-uitkering toegekend. In het kader van een herbeoordeling in 2004 onderzocht verzekeringsarts Smits appellant en concludeerde dat er geen toegenomen beperkingen waren, met lichte beperkingen voor zware fysieke arbeid.
De arbeidsdeskundige Fafiani beoordeelde op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst dat appellant geschikt was voor de maatgevende arbeid van schoonmaker voor 50,5 uur per week. Het UWV trok daarom per 27 oktober 2004 de WAO-uitkering in.
Appellant voerde aan dat hij vanwege pijnklachten niet in staat was voltijds te werken, verwijzend naar een rapport van revalidatiearts Beuving. De bezwaarverzekeringsarts Faas concludeerde echter dat deze informatie onvoldoende was om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische gegevens van Beuving niet met objectieve gegevens waren onderbouwd en dat het UWV terecht de uitkering had ingetrokken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 27 oktober 2004 wordt bevestigd wegens onvoldoende medische onderbouwing van arbeidsongeschiktheid.