ECLI:NL:CRVB:2008:BC8236

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2237 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 3 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 4 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag door niet-verzekeringsarts

Betrokkene kreeg zijn WAO-uitkering ingetrokken per 14 november 2004 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Dit besluit werd aangevochten en de rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was en het besluit onvoldoende gemotiveerd, waardoor het besluit onrechtmatig was.

In hoger beroep werd betoogd dat het primaire medische onderzoek op 7 juni 2004 niet door een verzekeringsarts was uitgevoerd, wat volgens jurisprudentie van de Raad niet is toegestaan. De Raad bevestigde dat registratie als verzekeringsarts borg staat voor kwaliteit en dat het ontbreken daarvan niet in de bezwaarfase was hersteld, mede omdat de niet-geregistreerde arts tot een andere inschatting kwam dan eerdere verzekeringsartsen.

De Raad concludeerde dat het besluit in strijd was met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de Awb en vernietigde het bestreden besluit. Appellant moet opnieuw beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd appellant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd vanwege onvoldoende medische grondslag door een niet-geregistreerde verzekeringsarts.

Uitspraak

06/2237 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 16 maart 2006, 05/204
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
A. [betrokkene])
en
appellant.
Datum uitspraak: 28 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 8 februari 2008 is namens betrokkene nog een nader standpunt verwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008. Appellant is niet verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 15 september 2004 heeft appellant de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van
14 november 2004 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
Namens betrokkene heeft C. Stegeman, werkzaam bij AbvaKabo FNV te Deventer, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 24 januari 2005 heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
24 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard en appellant opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten en bepaald dat appellant het griffierecht aan betrokkene vergoedt.
De rechtbank heeft geoordeeld dat, om reden dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest, het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tot stand is gekomen. Daarnaast ontbeert het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
Door appellant is in hoger beroep het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit bestreden. Daarbij is met name gewezen op aanscherping van de regelgeving bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de veranderde medische visie ten aanzien van chronisch aspecifieke locomotore klachten als hier aan de orde.
Namens betrokkene is aangevoerd dat het medisch onderzoek van 7 juni 2004 - in de primaire fase - niet door een verzekeringsarts is verricht hetgeen volgens de jurisprudentie van de Raad niet toegelaten is.
De Raad overweegt als volgt.
De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
Uit het dossier is de Raad gebleken dat betrokkene op 7 juni 2004 op het spreekuur van A.J. Wolbers, arts, is verschenen. Op gelijke datum heeft deze arts een rapport opgesteld.
Bezwaarverzekeringsarts E. Vastert, die bij de hoorzitting aanwezig was, heeft op
20 januari 2005 over zijn bevindingen gerapporteerd. Zijn onderzoek heeft zich beperkt tot dossierstudie en een oriënterende observatie van betrokkene op de hoorzitting. Er is geen lichamelijk onderzoek verricht.
In zijn uitspraak van 14 december 2007 (LJN: BC0361) heeft de Raad overwogen dat registratie als verzekeringsarts in beginsel borg staat voor een zekere kwaliteit. Zolang die registratie (nog) niet heeft plaatsgevonden kan er in beginsel niet van worden uitgegaan dat het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts diezelfde kwaliteit bezit. Een dergelijk gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerd arts. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn, maar tegelijk zal in die fase van de besluitvorming als regel dossieronderzoek dan niet volstaan.
In de onderhavige zaak is van de kant van appellant niet ontkend dat de arts die het primaire onderzoek heeft gedaan, geen verzekeringsarts is. De Raad is van oordeel dat dit gebrek in de bezwaarfase niet is hersteld. Daartoe weegt voor de Raad mee dat de arts Wolbers bij in wezen gelijkblijvende diagnose en klachten tot een geheel andere inschatting wat betreft medische beperkingen en urenbeperking is gekomen dan de verzekeringsartsen die eerder (in de jaren 1995-1999) hun oordeel hebben gegeven.
Om die reden moet de Raad concluderen dat het bestreden besluit, gelet op de wijze waarop de medische grondslag daarvan is voorbereid in strijd is te achten met de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en artikel 3:2 van Pro de Awb en derhalve in rechte geen stand kan houden. De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is vernietigd, komt – zij het op andere gronden – voor bevestiging in aanmerking. Appellant zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.
Het Uwv zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van betrokkene wegens de haar verleende rechtsbijstand te begroten op € 644,-- en € 63,40 aan reiskosten (totaal derhalve € 707,40).
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 707,40, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en
R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.