ECLI:NL:CRVB:2008:BC8281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WW-dagloon van gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer
Appellant, gedeeltelijk arbeidsongeschikt en met een WAO-uitkering, werd na ontslag werkloos en vroeg een WW-uitkering aan. Het Uwv stelde het WW-dagloon vast op basis van het WAO-dagloon, waarbij rekening werd gehouden met een theoretische schatting van arbeidsongeschiktheid en een gemaximeerde werkweek van 55 uur.
Appellant betoogde dat het WW-dagloon onjuist was vastgesteld omdat het gebaseerd was op een 40-urige werkweek, terwijl zijn WAO-dagloon was gebaseerd op een 61-urige werkweek, waardoor zijn uitkering niet het juiste welvaartsniveau weerspiegelde.
De Raad oordeelde dat het WW-dagloon terecht was vastgesteld volgens artikel 13, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, omdat de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd op een theoretische schatting en het WAO-dagloon inclusief overwerkuren was gemaximeerd tot 55 uur per week.
De Raad concludeerde dat de gecombineerde WAO- en WW-uitkering een redelijke weerspiegeling vormde van het welvaartsniveau van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Breda. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WW-dagloon terecht is vastgesteld op basis van het WAO-dagloon.