ECLI:NL:CRVB:2008:BC8281

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4579 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringenArt. 44 WAOWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling WW-dagloon van gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer

Appellant, gedeeltelijk arbeidsongeschikt en met een WAO-uitkering, werd na ontslag werkloos en vroeg een WW-uitkering aan. Het Uwv stelde het WW-dagloon vast op basis van het WAO-dagloon, waarbij rekening werd gehouden met een theoretische schatting van arbeidsongeschiktheid en een gemaximeerde werkweek van 55 uur.

Appellant betoogde dat het WW-dagloon onjuist was vastgesteld omdat het gebaseerd was op een 40-urige werkweek, terwijl zijn WAO-dagloon was gebaseerd op een 61-urige werkweek, waardoor zijn uitkering niet het juiste welvaartsniveau weerspiegelde.

De Raad oordeelde dat het WW-dagloon terecht was vastgesteld volgens artikel 13, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, omdat de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd op een theoretische schatting en het WAO-dagloon inclusief overwerkuren was gemaximeerd tot 55 uur per week.

De Raad concludeerde dat de gecombineerde WAO- en WW-uitkering een redelijke weerspiegeling vormde van het welvaartsniveau van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Breda. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WW-dagloon terecht is vastgesteld op basis van het WAO-dagloon.

Uitspraak

07/4579 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 juli 2007, 06/4202 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I. Stolting, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2008, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang.
Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschitkheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Met ingang van 1 november 1998 heeft appellant naast zijn WAO-uitkering zijn werk hervat voor maximaal 40 uur per week.
Gelet op de inkomsten hieruit werd onder toepassing van artikel 44 van Pro de WAO zijn WAO-uitkering uitbetaald als ware hij 35-45% arbeidsongeschikt. Met ingang van 1 maart 2006 is appellant door zijn werkgever ontslagen en heeft hij een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.
Bij besluit van 21 maart 2006 is aan appellant met ingang van 1 maart 2006 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend, welke is berekend naar een dagloon van € 39,50. Bij besluit op bezwaar van 4 juli 2006 zijn de bezwaren hiertegen ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat het dagloon van de WW-uitkering ingevolge artikel 13, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit) moet worden afgeleid van het WAO-dagloon. Bij de vaststelling van het dagloon kan geen rekening worden gehouden met het loon dat appellant laatstelijk vóór zijn werkloosheid ontving, aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid in verband met die werkzaamheden niet is gewijzigd. Niet is komen vast te staan dat appellant die werkzaamheden duurzaam kon verrichten.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het Uwv in dit standpunt gevolgd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant de juistheid van dit oordeel gemotiveerd bestreden. Hij heeft met name aangevoerd dat zijn WW-dagloon is gebaseerd op een 40-urige werkweek, terwijl zijn WAO-dagloon is gebaseerd op een 61-urige werkweek. Dit heeft zijns inziens tot gevolg dat de door hem ontvangen uitkering(en) niet langer een redelijke weerspiegeling zijn van het welvaartsniveau waaraan hij gewend was toen hij nog volledig werkte en / of toen hij naast een 40-urige werkweek een WAO-uitkering ontving.
De Raad kan appellant hierin niet volgen en merkt dienaangaande het volgende op.
De vaststelling van een WW-dagloon van een gewezen arbeidsongeschikte en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemer is geregeld in artikel 13 van Pro het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Stb 2005,546, hierna: het Besluit). In artikel 13, tweede lid, van dit Besluit is bepaald dat het WW-dagloon van de werknemer die op de eerste werkloosheidsdag, of op de eerste dag van herleving van het recht op werkloosheidsuitkering, een uitkering op grond van de WAO naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt, wordt vastgesteld door evenredige verlaging van het laatstelijk geldende WAO-dagloon. Deze vaststelling van het dagloon is volgens artikel 13, achtste lid, niet van toepassing als een schatting heeft plaatsgehad in verband met feitelijk door betrokkene verrichte werkzaamheden. In dat geval is er geen sprake van een theoretische schatting.
Met de rechtbank stelt de Raad vast dat uit de gedingstukken blijkt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 13 augustus 2004 is gebaseerd op een theoretische schatting. De inkomsten uit arbeid, voorzover deze klasseoverschrijdend waren, werden gekort met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO. Er is derhalve geen rekening gehouden met inkomsten uit arbeid, zoals bedoeld in artikel 13, achtste lid, van het Besluit. Appellant bleef immers 55 tot 65% arbeidsongeschikt, maar de uitkering werd, gelet op de inkomsten uit arbeid, uitbetaald als ware hij 35 tot 45% arbeidsongeschikt. Dit betekent dat het Uwv bij de vaststelling van het WW-dagloon op goede gronden ingevolge artikel 13, tweede lid, van het Besluit terecht het WAO-dagloon van appellant als basis heeft genomen voor zijn WW-dagloon. Uit het WAO dagloonrapport van 5 maart 1998 blijkt voorts dat het WAO-dagloon destijds is berekend inclusief overwerkuren. Op grond van de toen geldende dagloonregels is het aantal overwerkuren dat in het WAO-dagloon is opgenomen echter gemaximeerd tot drie uren per dag, zodat het WAO-dagloon uiteindelijk is gebaseerd op een werkweek van (maximaal) 55 uur i.p.v. 61 uur. Dat zijn WAO- en WW-uitkering samen niet langer een redelijke weerspiegeling zouden zijn van zijn welvaartsniveau kan de Raad dan ook niet volgen.
Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2008.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Badermann.
RB