ECLI:NL:CRVB:2008:BC8305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking WAO-uitkering en toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 8 november 2004 en tegen het besluit van het UWV van 30 november 2007 waarin een gedeeltelijke WAO-uitkering werd toegekend. De rechtbank Zwolle-Lelystad had het beroep reeds ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het bestreden besluit van 7 september 2004 feitelijk is ingetrokken door het besluit van 30 november 2007. Omdat appellante geen verzoek tot schadevergoeding heeft gedaan, is het procesbelang in hoger beroep komen te vervallen, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Ten aanzien van het besluit van 30 november 2007 oordeelt de Raad dat appellante onvoldoende nieuwe feiten of medische gegevens heeft aangevoerd die het oordeel van de rechtbank zouden kunnen wijzigen. De arbeidsdeskundige rapportage ondersteunt het oordeel dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% niet onderschat is.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep, begroot op in totaal € 1.288,-, en bepaalt dat het betaalde griffierecht van € 142,- aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en beroep tegen toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering ongegrond.