ECLI:NL:CRVB:2008:BC8305

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/3520 WAO, 07/6741 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking WAO-uitkering en toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 8 november 2004 en tegen het besluit van het UWV van 30 november 2007 waarin een gedeeltelijke WAO-uitkering werd toegekend. De rechtbank Zwolle-Lelystad had het beroep reeds ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het bestreden besluit van 7 september 2004 feitelijk is ingetrokken door het besluit van 30 november 2007. Omdat appellante geen verzoek tot schadevergoeding heeft gedaan, is het procesbelang in hoger beroep komen te vervallen, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Ten aanzien van het besluit van 30 november 2007 oordeelt de Raad dat appellante onvoldoende nieuwe feiten of medische gegevens heeft aangevoerd die het oordeel van de rechtbank zouden kunnen wijzigen. De arbeidsdeskundige rapportage ondersteunt het oordeel dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% niet onderschat is.

De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep, begroot op in totaal € 1.288,-, en bepaalt dat het betaalde griffierecht van € 142,- aan appellante wordt vergoed.

Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en beroep tegen toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering ongegrond.

Uitspraak

06/3520 WAO + 07/6741 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 mei 2006, 05/1721 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.S.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Tevens heeft het Uwv een nadere arbeidskundige rapportage ingezonden.
Bij besluit van 30 november 2007 heeft het Uwv besloten appellante met ingang van 8 november 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, toe te kennen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jap-A-Joe, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 7 september 2004 heeft het Uwv met ingang van 8 november 2004 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken.
Bij besluit van 25 augustus 2005, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 september 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Met het in rubriek I weergegeven besluit van 30 november 2007 is het bestreden besluit in feite ingetrokken.
Nu met het besluit van 30 november 2007 niet geheel aan appellantes beroep wordt tegemoet gekomen, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep mede geacht te zijn gericht tegen dat besluit.
Voorts volgt uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, LJN: ZB6628, dat in het onderhavige geval belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb.
In dit geval is geen verzoek om schadevergoeding gedaan, zodat het procesbelang is komen te vervallen. Het hoger beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot het besluit van 30 november 2007 overweegt de Raad het volgende.
Wat betreft de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, 8 november 2004, komt de Raad tot geen andere beschouwingen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak.
In hoger beroep wordt met betrekking tot dit aspect niets nieuws aangevoerd. Ook zijn van de kant van appellante geen medische gegevens overgelegd, die steun zouden kunnen bieden aan haar standpunt.
Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige W.J.G. Mulder geselecteerde en aan appellante voorgehouden functies niet zou kunnen vervullen.
Aan de hand van die rapportage van arbeidsdeskundige Mulder oordeelt de Raad dat de aanspraken van appellante op de datum in geding met een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% niet zijn onderschat.
Hieruit volgt dat het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 november 2007 ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-. Het Uwv heeft in het besluit van 30 november 2007 aangegeven over te gaan tot vergoeding van de kosten van bezwaar.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 november 2007 ongegrond;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.
(get.) H. Bolt.
(get.) M.W.A. Schimmel.
JL