ECLI:NL:CRVB:2008:BC8427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende onderzoek en motivering
Appellant was sinds 1999 werkzaam als plaatwerker en meldde zich in maart 2003 ziek vanwege pijnklachten aan linkerpols en -hand, waarvoor hij in maart 2004 een operatie onderging. Het UWV kende hem in juni 2004 een WAO-uitkering toe van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid. Na een verzoek tot herkeuring in september 2004 concludeerde een verzekeringsarts in oktober 2004 dat er geen toename van beperkingen was. Het UWV handhaafde dit besluit in november 2004.
Appellant maakte bezwaar en werd onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts, die beperkingen inzake handbelasting matigde maar nieuwe beperkingen inzake stof- en allergiegevoeligheid opnam. Het UWV verklaarde het bezwaar in februari 2005 ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit deels gegrond en vernietigde het besluit, maar verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
In hoger beroep stelt appellant dat de beperkingen ten aanzien van hand- en vingervaardigheden en psychische belastbaarheid onvoldoende zijn erkend en onderzocht. De Raad oordeelt dat het UWV niet zorgvuldig heeft onderzocht en gemotiveerd dat de beperkingen niet zijn toegenomen. Tevens ontbreekt een arbeidskundige beoordeling of de geselecteerde functies passen bij de beperkingen. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd en een nieuw besluit wordt bevolen.