ECLI:NL:CRVB:2008:BC8457

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5586 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang na nieuw UWV-besluit

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Tijdens de procedure heeft het UWV een nieuw besluit genomen waarin het besluit op bezwaar volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellante, waardoor het belang bij voortzetting van de procedure is komen te vervallen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat er geen inhoudelijk belang meer bestaat bij de beoordeling van het bestreden besluit. Er is geen sprake van een ander procesbelang zoals het toekennen van een schadevergoeding.

De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep, begroot op €322,-. Tevens wordt het betaalde griffierecht van €106,- aan appellante vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitspraak

07/5586 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2007, 06/1402 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij faxbericht van 18 december 2007 heeft mr. Stoppelenburg de Raad meegedeeld dat door het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar is afgegeven waarbij volledig tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van appellante. Appellante is van mening dat zij geen inhoudelijk belang meer heeft bij voortzetting van de procedure en zij heeft de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Nu het Uwv bij besluit van 4 december 2007 te kennen heeft gegeven appellante met ingang van 20 januari 2005 ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt te achten is in principe het belang bij een beoordeling van het bestreden besluit komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet Bestuursrecht. Nu van een dergelijk procesbelang niet is geleken, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds ten aanzien van de proceskosten in verband met de procedure in beroep heeft beslist, en appellante tegen deze kostenveroordeling geen hoger beroep heeft ingesteld, staan thans slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.
MH