ECLI:NL:CRVB:2008:BC8462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. Van Voorst
- J.F. Bandringa
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende objectieve medische arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds juni 2001 een WAO-uitkering ontving wegens vermeende arbeidsongeschiktheid, werd door het UWV per 14 juli 2004 geacht minder dan 15% arbeidsongeschikt te zijn en kreeg haar uitkering ingetrokken. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze intrekking ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij volledig arbeidsongeschikt is door medisch objectiveerbare ziekten, gesteund door rapporten van een psychiater en een revalidatiearts.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de beperkingen van appellante niet het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebreken, wat een vereiste is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid volgens artikel 18 van Pro de WAO. De subjectieve klachten en beleving van appellante kunnen niet doorslaggevend zijn. De deskundigenrapporten boden onvoldoende objectieve medische onderbouwing voor volledige arbeidsongeschiktheid.
Daarom werd het besluit van het UWV om de WAO-uitkering in te trekken bevestigd en het hoger beroep van appellante verworpen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.