ECLI:NL:CRVB:2008:BC8543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vaststelling arbeidsongeschiktheidsuitkering zelfstandige
Appellant, een zelfstandig ondernemer in de timmer- en onderaannemingsbranche, kreeg sinds 1992 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Het geschil betreft de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid over de periode van 6 april 1997 tot en met 31 december 1999. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had de uitkering berekend op basis van een volledige toerekening van de bedrijfswinst aan appellant, terwijl appellant stelde dat zijn echtgenote en zonen het werk verrichtten en hij zelf niet in staat was te werken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en wees het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en het besluit van het Uwv, omdat het Uwv ten onrechte de gehele winst aan appellant had toegerekend en onvoldoende rekening had gehouden met het wettelijke minimumloon als maatmaninkomen.
De Raad stelde vast dat zowel appellant als zijn echtgenote winstgenererende arbeid hadden verricht en dat de winst gelijkelijk aan beiden moest worden toegerekend. De bezwaararbeidsdeskundige had de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid berekend op basis van juiste gegevens, met uitzondering van de periode 6 april tot en met 31 december 1997, waarvoor een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% geldt.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de lagere arbeidsongeschiktheidsklasse betrof en bepaalde zelf de juiste klasse. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: De Raad bepaalt dat de AAW-uitkering over 6 april tot 31 december 1997 wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.