AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit ontslag wegens ongeschiktheid na onzorgvuldige voorbereiding
Appellante, werkzaam als parkeercontroleur bij de gemeente ’s-Gravenhage sinds 1991, werd ontslagen wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte. De rechtbank ’s-Gravenhage vernietigde in 2005 het eerste besluit op bezwaar omdat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar een mogelijke medische oorzaak van de ongeschiktheid. Het college nam daarop een nieuw besluit dat het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde.
In hoger beroep stelt appellante dat het college niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank om nader onderzoek te doen, met name door geen contact te zoeken met de bedrijfspsycholoog. De Raad concludeert dat het college zich heeft beperkt tot hernieuwd dossieronderzoek door de bedrijfsarts zonder contact met andere medische deskundigen, waardoor het besluit van 11 mei 2005 onzorgvuldig is voorbereid en niet voldoet aan de rechterlijke opdracht.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt daarom het bestreden besluit en verklaart het beroep gegrond. Tevens veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit van 11 mei 2005 tot ontslag wegens ongeschiktheid wordt vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding.
Uitspraak
06/6414 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 oktober 2006, 05/4074 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: college)
Datum uitspraak: 20 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 februari 2008, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. K. ten Broek, werkzaam bij Abvakabo FNV. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.M. Langemeijer, vergezeld van J.P.L. van As en M.D. Bruijnius, allen werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.
II. OVERWEGINGEN
1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het navolgende.
1.1. Appellante is sinds 1991 werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage als parkeercontroleur. Het college heeft haar bij in bezwaar gehandhaafd besluit van 19 september 2003 ontslagen wegens ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken.
1.2. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 26 januari 2005, 04/1072, het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
1.3. Bij het besluit van 11 mei 2005 heeft het college het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard.
1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2. In hoger beroep betoogt appellante primair dat de rechtbank er in de aangevallen uitspraak aan voorbij heeft gezien dat het college geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2005.
3. De Raad overweegt het volgende.
3.1. Bij de uitspraak van 26 januari 2005 heeft de rechtbank het eerste besluit op bezwaar vernietigd omdat het college onvoldoende heeft onderzocht of de vastgestelde ongeschiktheid of onbekwaamheid van appellante een medische oorzaak heeft. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het college nader onderzoek had moeten verrichten naar de gezondheidstoestand van appellante en dat het, nog los van de stelling van appellante dat zij onder behandeling staat van huisarts, psycholoog en cardioloog, in ieder geval voor de hand had gelegen de conclusies van de bedrijfspsycholoog bij de heroverweging te betrekken.
3.2. Tegen de uitspraak van 26 januari 2005 is geen hoger beroep ingesteld. Deze uitspraak heeft daarmee gezag van gewijsde. Bestuurorganen dienen gevolg te geven aan rechterlijke uitspraken die gezag van gewijsde hebben.
3.3. Uit de gedingstukken blijkt dat het college naar aanleiding van meerbedoelde uitspraak contact heeft gezocht met de bedrijfsarts. In reactie hierop heeft de bedrijfsarts bij brieven van 3 maart en 14 april 2005 aangegeven dat de diverse perioden van arbeidsongeschiktheid van appellante in 2002 en 2003 een medische oorzaak hadden. De bedrijfsarts komt tot de conclusie dat appellante in de tussengelegen perioden geen medische beperkingen ondervond nu uit het dossier niet blijkt van arbeidsongeschiktheid om medische redenen in die perioden.
3.4. De brieven van 3 maart en 14 april 2005 bevatten geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de bedrijfsarts contact heeft gezocht met bedrijfspsycholoog, huisarts of cardioloog van appellante. Integendeel kan daaruit worden opgemaakt dat slechts hernieuwd dossieronderzoek heeft plaatsgevonden. Door bij het besluit van 11 mei 2005, dat is genomen ter uitvoering van de uitspraak van 26 januari 2005, te volstaan met een verwijzing naar het weergegeven standpunt van de bedrijfsarts, is in wezen geen gevolg gegeven aan de opdracht van de rechtbank om opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Dat besluit is aldus onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank heeft dit in de aangevallen uitspraak niet onderkend.
3.5. Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 11 mei 2005 vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. De Raad ziet aanleiding het college op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 644,00 wegens rechtsbijstand en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,00 wegens rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 mei 2005 gegrond en vernietigt dit besluit;
Veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal
€ 1.288,-, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;
Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 349,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2008.