ECLI:NL:CRVB:2008:BC8726

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-530 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbToeslagenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk na intrekking besluit toeslag UWV

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem waarin het beroep tegen een besluit van het UWV werd afgewezen. Het oorspronkelijke besluit van het UWV handhaafde de weigering van een toeslag op grond van de Toeslagenwet vanaf 8 juli 2004.

Later trok het UWV dit besluit in en kende alsnog de toeslag toe met terugwerkende kracht vanaf die datum. Tijdens de zitting erkende de gemachtigde van appellant dat hiermee aan het bezwaar was voldaan.

De Raad oordeelde dat appellant hierdoor geen belang meer had bij het hoger beroep en verklaarde dit niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het UWV het besluit heeft ingetrokken en aan het bezwaar is tegemoetgekomen.

Uitspraak

06/530 TW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 december 2005, 05/4066 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008. Namens appellant is mr. Wernik verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit op bezwaar van 14 juli 2005 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv onder meer de afwijzing van het verzoek van appellant voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet met ingang van 8 juli 2004 gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit 1 ongegrond verklaard.
Bij besluit op bezwaar van 15 oktober 2007 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv besluit 1 ingetrokken omdat de weigering van een toeslag per 8 juli 2004 op een onjuiste grondslag berust. Bij besluit 2 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen die weigering alsnog gegrond verklaard en hem alsnog met ingang van 8 juli 2004 een toeslag voor een gehuwde ad € 6,42 per dag toegekend.
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant erkend dat met besluit 2 is tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellant in dit geding. De Raad acht dan ook geen termen aanwezig om het beroep tegen besluit 1 mede gericht te achten tegen besluit 2. Nu het Uwv besluit 1 niet langer handhaaft en is tegemoetgekomen aan hetgeen appellant in dit geding heeft gevorderd, heeft appellant geen belang meer bij een uitspraak van de Raad op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. De Raad zal het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren, onder toewijzing van proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierecht in eerste aanleg en hoger beroep.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) M. Lochs.
MH