ECLI:NL:CRVB:2008:BC8742

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2784 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als costmanager, viel uit wegens rugklachten en vroeg een WAO-uitkering aan na afloop van de wachttijd. Het UWV weigerde deze uitkering op grond van het standpunt dat appellant niet arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk in volle omvang per 18 oktober 2004.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelt dat de medische informatie geen aanwijzingen geeft voor zwaardere beperkingen dan vastgesteld en dat het feit dat appellant zijn werk niet volledig heeft hervat, dit oordeel niet verandert.

Het verzoek tot benoeming van een medische deskundige wordt afgewezen. De Raad concludeert dat de opvatting van appellant en zijn werkgever over de geschiktheid voor het eigen werk niet wordt ondersteund door objectieve medische bevindingen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

06/2784 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 april 2006, 05/2705 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beishuizen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.G. Lavrijsen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, sedert 1 september 1978 werkzaam als costmanager bij Rabofacet BV gedurende 40 uur per week, is op 20 oktober 2003 wegens rugklachten voor die werkzaamheden uitgevallen.
Bij besluit van 21 december 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen, onder de overweging dat appellant, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, per 18 oktober 2004 niet arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Hieraan ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat appellant met inachtneming van de voor hem geldende medische beperkingen in staat is te achten tot het verrichten van zijn eigen werk van costmanager in volle omvang.
Het door appellant tegen het besluit van 21 december 2004 ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 4 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde gronden naar voren gebracht als in zijn beroep bij de rechtbank. Ook in hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat zijn beperkingen tot het verrichten van arbeid door het Uwv zijn onderschat, in het bijzonder zijn duurbelastbaarheid, en hij in verband hiermee niet geschikt is tot het verrichten van zijn eigen werk in volle omvang.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die leidt tot de conclusie dat hij op de datum in geding meer beperkingen had.
De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
Anders dan namens appellant ter zitting is gesteld, is de door anaesthesioloog P.F.J. Baaijens desgevraagd aan de verzekeringsarts A.E.M.M. Cosemans verstrekte informatie bij brief van 29 november 2004 wel betrokken in de oordeelsvorming van het Uwv gezien de aantekening van de verzekeringsarts op deze brief. De Raad ziet met het Uwv in deze informatie geen objectief medische aanknopingspunten voor het aannemen van zwaardere beperkingen dan neergelegd in de FML.
Het gegeven dat appellant in de praktijk niet ten volle heeft hervat in het eigen werk leidt de Raad evenmin tot een ander oordeel. De opvatting van appellant (en zijn werkgever) ten aanzien van de geschiktheid van appellant voor het eigen werk in volle omvang op de hier aan de orde zijnde datum 18 oktober 2004 wordt niet ondersteund door de ten aanzien van appellant vastgestelde objectief medische bevindingen.
In het voorgaande ligt besloten dat er geen aanleiding bestaat om het ter zitting gedane verzoek om benoeming van een medische deskundige in te willigen.
Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) E. de Bree.
JL