ECLI:NL:CRVB:2008:BC9471

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4771 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 13 juni 2005 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank Roermond oordeelde dat er geen reden was om de medische beoordeling van de verzekeringsartsen te betwijfelen en handhaafde het besluit.

In hoger beroep voerde appellante dezelfde argumenten aan, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank over de medische situatie. Nieuwe medische gegevens van de huisarts werden niet als relevant erkend en een nieuw ingediend psychiatrisch rapport werd niet toegelaten wegens te late indiening.

De Raad vernietigde echter de uitspraak van de rechtbank omdat het UWV in hoger beroep de arbeidskundige motivering met een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige voldoende had onderbouwd. De rechtsgevolgen van het besluit werden in stand gelaten. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand en veroordeelt het UWV in de proceskosten.

Uitspraak

06/4771 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 juli 2006, 05/1985 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C. Schouten, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 23 februari 2007 een rapport van 5 februari 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige A.G.W.P. van Gorp.
Partijen hebben over en weer nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schouten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 25 oktober 2005 het besluit van 12 april 2005 heeft gehandhaafd. Daarbij is de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 13 juni 2005 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven geen aanknopingspunten gevonden te hebben om de bevindingen van de betrokken verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Niet gebleken is dat de klachten van appellante zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd. In ieder geval is niet gebleken dat appellante op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was om – binnen de voor haar geldende beperkingen vallende – werkzaamheden te verrichten. Daarbij heeft de rechtbank benadrukt dat aan de eigen beleving van appellante geen doorslaggevende betekenis kan en mag worden gehecht. Voorts heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak de redenen uiteengezet waarom zij het door de betrokken verzekeringsartsen uitgevoerde onderzoek naar de lichamelijke en psychische klachten van appellante niet in strijd heeft geacht met de daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid.
Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de schatting heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak uitvoerig gemotiveerd waarom de voor de schatting gebruikte functies, zowel gelet op het opleidingsniveau van appellante als gelet op haar functionele mogelijkheden, voor haar geschikt zijn te achten.
De rechtbank is op grond hiervan tot het oordeel gekomen dat het Uwv bij het bestreden besluit de mate van bij appellante op en na 13 juni 2005 bestaande arbeidsongeschiktheid met een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 15% juist heeft gewaardeerd. Daarop is het bestreden besluit in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellante in essentie dezelfde argumenten tegen het bestreden besluit aangevoerd als zij bij de rechtbank heeft gedaan. Van de zijde van appellante is niet aangegeven waarom de motivering door de rechtbank van de aangevallen uitspraak ondeugdelijk zou zijn dan wel tekort zou schieten.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting en maakt de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne.
Daaraan doen niet af de bij brief van 12 maart 2008 door appellante ingezonden medische gegevens van de huisarts A.J.L. van Kessel. Bij rapport van 14 maart 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp uitvoerig uiteengezet waarom deze gegevens geen nieuw licht werpen op de medische situatie ten tijde hier in geding. De Raad volgt deze zienswijze en wijst erop dat de huisarts al twee keer eerder met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding inlichtingen heeft verstrekt, waarmee, naar aan de verzekeringsgeneeskundige rapportages valt te ontlenen, rekening is gehouden.
Ter zitting heeft appellantes gemachtigde melding gemaakt van een door haar op die dag ontvangen schrijven van de appellante behandelend psychiater. De gemachtigde van het Uwv heeft zich verzet tegen overlegging van dit schrijven, daarbij wijzend op het bepaalde in artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat voor partijen tot tien dagen voor de zitting de gelegenheid bestaat stukken in te dienen en de omstandigheid dat het hier gaat om medische informatie die niet zonder beoordeling door een verzekeringsarts op zijn waarde kan worden geschat.
Gelet hierop is overlegging van dit stuk ter zitting door de Raad geweigerd en maakt dit ook geen deel uit van de gedingstukken.
De Raad heeft geen aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting te schorsen dan wel na sluiting van het onderzoek dit te heropenen om appellante alsnog in de gelegenheid te stellen het schrijven van de psychiater in het geding te brengen en het Uwv de gelegenheid te geven hierop te reageren. Appellantes gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat dit schrijven niet ziet op de gezondheidstoestand van appellante ten tijde hier in geding en evenmin een diagnose vermeldt. Bovendien heeft appellantes gemachtigde niet aangegeven welke wezenlijke invloed dit schrijven op de rechterlijke oordeelsvorming zou kunnen hebben.
Niettemin komt de aangevallen uitspraak met het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking, nu eerst in hoger beroep afdoende door het Uwv de arbeidskundige grondslag is gemotiveerd met het rapport van 5 februari 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige A.G.W.P. van Gorp. Daarin zijn de met een “G” afgedane signaleringen in de functiebelasting van de functies alsnog van een naar het oordeel van de Raad toereikende motivering voorzien. In verband hiermee laat de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.
Aldus komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak met het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen en dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand worden gelaten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 Awb Pro het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit met instandlating van de rechtsgevolgen ervan;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot €1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van €142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
JL