ECLI:NL:CRVB:2008:BC9496

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-628 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhaving mate van arbeidsongeschiktheid op grond van WAO

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 31 januari 2005, waarin het besluit van 4 maart 2004 werd gehandhaafd om haar arbeidsongeschiktheidsuitkering op een mate van 15 tot 25% vast te stellen per 20 augustus 2003.

De rechtbank Roermond had eerder geoordeeld dat de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit juist waren. Appellante betwist in hoger beroep de medische grondslag en stelt dat zij vanwege rug- en psychische klachten niet in de geduide functies kan werken.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd waarin de situatie per 20 augustus 2003 verschilt van de eerdere beoordeling per 19 augustus 2003. De psychische klachten zijn niet geobjectiveerd en niet ondersteund met relevante medische verklaringen.

Daarom wordt het bestreden besluit gehandhaafd en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot handhaving van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van 15 tot 25%.

Uitspraak

06/628 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2005, 05/327 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 11 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Rijswijk, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. L.H.J. Ambrosius.
II. OVERWEGINGEN
Het beroep richt zich tegen het besluit van 31 januari 2005 (bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 4 maart 2004, strekkende tot handhaving van de naar een mate van 15 tot 25% berekende uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 20 augustus 2003.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist moeten worden geacht.
Appellante betwist in hoger beroep de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Haar beroepsgronden komen overeen met de gronden die zij in het geding met het kenmerk 05/1134 WAO heeft aangevoerd. Zij acht zich niet in staat om in de geduide functies te werken tengevolge van rug- en psychische klachten.
Op 27 juli 2007 heeft de Raad uitspraak gedaan in een geschil tussen appellante en het Uwv onder nr. 05/1134 WAO,
LJN: BB0670. In die uitspraak heeft de Raad, evenals de rechtbank, geoordeeld dat het Uwv de uitkering van appellante terecht per 19 augustus 2003 heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De door appellante aangedragen argumenten roepen geen twijfel op aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit en de passendheid in medisch opzicht van de aan dat besluit ten grondslag gelegde uit het CBBS geselecteerde functies. Naar het oordeel van de Raad is appellante er niet in geslaagd aan te geven waarin de onderhavige zaak met als datum in geding 20 augustus 2003, verschilt van de voorgaande met als datum in geding 19 augustus 2003. De psychische klachten tengevolge waarvan appellante zich op 20 augustus 2003 vanuit de WW heeft ziekgemeld, zijn op geen enkele wijze geobjectiveerd en ook overigens heeft appellante haar stellingen niet onderbouwd met relevante medische verklaringen.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2008.
(get.) J. Janssen.
(get.) M. Lochs.