ECLI:NL:CRVB:2008:BC9518

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5796 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk en andere werkzaamheden

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WAO-uitkering toe te kennen, omdat zij zich volledig arbeidsongeschikt acht door psychische en fysieke klachten. Het UWV stelde dat zij per 3 september 2002 geschikt was voor haar eigen werk en andere werkzaamheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de bezwaarverzekeringsarts geen verplichting had om aanvullende informatie in te winnen bij de behandelend specialist, aangezien de huisarts het medisch journaal met de relevante bevindingen had toegezonden. Uit dit journaal bleek dat appellante rond de datum van 3 september 2002 niet onder behandeling was voor psychische klachten.

De Raad onderschrijft de beoordeling dat appellante weliswaar een verminderde psychische belastbaarheid heeft, maar dat zij geschikt is voor werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en met beperkingen in het omgaan met conflicten. Ook is het oordeel van de verzekeringsarts dat er geen relevante Carpaal Tunnel Syndroom-problematiek was, juist. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellante geschikt wordt geacht voor haar eigen werk en andere werkzaamheden per 3 september 2002.

Uitspraak

05/5796 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 augustus 2005, 05/1795 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.M. Linares Fandino, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 februari 2008. Voor appellante is verschenen mr. Linares Fandino. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H.L. Turnhout.
II OVERWEGINGEN
Bij besluit van 3 september 2004 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen omdat zij per 3 september 2002 geschikt wordt beschouwd voor haar eigen werk en andere werkzaamheden.
Bij besluit van 7 februari 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 september 2004 ongegrond verklaard.
Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij zich als gevolg van psychische en fysieke klachten volledig arbeidsongeschikt acht. Appellante vindt dat de bezwaarverzekeringsarts informatie had moeten inwinnen over de psychische gesteldheid bij de behandelend specialist. Ook heeft appellante bezwaren geuit tegen de haar voorgehouden functies.
Evenals de rechtbank heeft de Raad geen redenen om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid van appellante per 3 september 2002.
De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank dat er voor de bezwaarverzekeringsarts geen verplichting bestond om informatie van de behandelend sector op te vragen nu er in het medisch journaal dat door de huisarts aan de verzekeringsarts is toegezonden de bevindingen van de behandelend sector zijn opgenomen.
Uit het journaal van de huisarts blijkt dat appellante rond de in dit geding van belang zijnde datum van 3 september 2002 niet onder behandeling was voor psychische klachten, zodat niet valt in te zien dat het inwinnen van informatie tot een andere visie omtrent appellantes psychische mogelijkheden had kunnen leiden. De Raad voegt hier aan toe dat de verzekeringsarts wel rekening heeft gehouden met een verminderde psychische belastbaarheid door appellante aangewezen te achten op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en een beperking aan te nemen voor het omgaan met conflicten.
De Raad is, gelet op het feit dat bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn gemotiveerd heeft aangegeven dat het niet aannemelijk is dat er rond 3 september 2002 sprake was van (relevante) Carpaal Tunnel Syndroom-problematiek, van oordeel dat daarvoor terecht geen beperkingen zijn gesteld.
Nu appellante in staat moet worden geacht om per 3 september 2002 haar eigen werk te verrichten is er geen sprake van verlies aan verdiencapaciteit, zodat het Uwv terecht heeft geweigerd aan haar een WAO-uitkering toe te kennen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2008.
(get.) J.Janssen.
(get.) M. Lochs.
RJB