ECLI:NL:CRVB:2008:BD0021

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2224 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering erkenning als vervolgingsslachtoffer en WUV-uitkering wegens onvoldoende bewijs vervolging

Appellant, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als vervolgingsslachtoffer en een WUV-uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting vervolging had ondergaan omdat zijn gezin werd ondergebracht in een tehuis om internering te ontlopen.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellant niet had aangetoond dat hij vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. Het bezwaar werd gehandhaafd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen vrijheidsberoving had ondergaan en dat er geen aanwijzingen waren voor onderduik of andere vormen van vervolging zoals omschreven in de Wet.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in stand kon blijven en wees het beroep af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt gehandhaafd.

Uitspraak

07/2224 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant] (Indonesië) (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 10 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 november 2006, kenmerk JZ/C60/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2008. Daar is appellant, zoals bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant aangevoerd dat, nadat zijn vader krijgsgevangen werd gemaakt, het gezin waartoe hij behoorde werd ondergebracht in een tehuis voor ouderen in de wijk Djombang te Semarang teneinde aan internering te ontkomen.
2. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 3 augustus 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
3. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
3.1. Op grond van artikel 2 van Pro de Wet wordt – voor zover hier van belang – onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, dan wel tot onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.
3.2. Op grond van de gedingstukken staat vast en wordt door appellant ook niet betwist, dat appellant geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan.
3.3. Voorts is in de weergave van appellant van zijn ervaringen gedurende de Japanse bezetting geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat er sprake is geweest van onderduik, nu van enig gevaar voor dreigende vrijheidsberoving vanwege zijn Europese afkomst of gezinde instelling niet is gebleken en evenmin is gebleken dat er sprake is geweest van een gehele onttrekking aan het dagelijks maatschappelijk leven door fysieke verborgenheid of het aannemen van een andere identiteit.
4. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2008.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) P.W.J. Hospel.
BvW