ECLI:NL:CRVB:2008:BD0021
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Weigering erkenning als vervolgingsslachtoffer en WUV-uitkering wegens onvoldoende bewijs vervolging
Appellant, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als vervolgingsslachtoffer en een WUV-uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting vervolging had ondergaan omdat zijn gezin werd ondergebracht in een tehuis om internering te ontlopen.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellant niet had aangetoond dat hij vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. Het bezwaar werd gehandhaafd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen vrijheidsberoving had ondergaan en dat er geen aanwijzingen waren voor onderduik of andere vormen van vervolging zoals omschreven in de Wet.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in stand kon blijven en wees het beroep af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt gehandhaafd.