ECLI:NL:CRVB:2008:BD0023
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Weigering WUV-uitkering wegens ontbreken bewijs van vervolging tijdens Japanse bezetting
Appellant, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in februari 2006 een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was in kamp Tjihapit te Bandoeng. Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat appellant vervolging had ondergaan in de zin van de Wet.
De Centrale Raad van Beroep bekeek of het bestreden besluit stand kon houden. Volgens artikel 2, tweede lid, van de Wet wordt onder vervolging verstaan: handelingen van de vijandelijke bezettende macht gericht tegen personen op grond van hun Europese afkomst of instelling, die leidden tot vrijheidsberoving door opsluiting met beoogde beëindiging van het leven of permanente bewaking.
Uit zorgvuldig onderzoek van archieven bleek geen bevestiging van internering van appellant. De opgegeven adressen lagen buiten het kamp en verklaringen van familieleden konden het ontbreken van objectieve gegevens niet compenseren. Bovendien bleek uit een verklaring dat kinderen zich vrij konden bewegen buiten het kamp, wat niet strookt met de vereiste permanente bewaking.
Daarom verklaarde de Raad het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van bewijs van vervolging tijdens de Japanse bezetting.