ECLI:NL:CRVB:2008:BD0027
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1947 in het voormalig Nederlands-Indië, vroeg in 2006 erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een WUBO-uitkering op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan oorlogsgeweld tijdens de Bersiap-periode.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij direct getroffen was door oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Appellant kon geen herinneringen aan oorlogsgeweld overleggen en de persoonlijke omstandigheden van zijn jeugd werden niet als oorlogsgeweld aangemerkt.
De Centrale Raad bevestigde dat de Wet alleen bescherming biedt aan personen die daadwerkelijk oorlogsgeweld hebben ervaren vóór 27 december 1949. Omdat appellant niet voldeed aan deze voorwaarde, was verder medisch onderzoek niet nodig. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt bevestigd.