ECLI:NL:CRVB:2008:BD0038

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5998 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken onafgebroken 52 weken arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering, welke door het UWV is afgewezen omdat hij niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was voorafgaand aan zijn hersteldmelding op 16 april 1981. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.

De Raad overweegt dat het recht op een WAO-uitkering ontstaat na 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid, en dat uit de medische stukken en overige gegevens geen aanwijzingen zijn dat appellant aan deze voorwaarde voldeed. Tevens is vastgesteld dat appellant na zijn hersteldmelding nog werkzaamheden heeft verricht en periodes van niet-werken werden overbrugd met een bijstandsuitkering, wat een ononderbroken arbeidsongeschiktheid uitsluit.

Appellants beroep tegen de hersteldverklaring is niet geslaagd, aangezien de overgelegde ontvangstbevestiging geen bewijs vormt dat de hersteldverklaring in rechte is vernietigd. De Raad concludeert dat het risico van onduidelijkheid door het lange tijdsverloop voor rekening van appellant blijft en dat het UWV terecht de WAO-uitkering heeft geweigerd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/5998 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2005, 04/4084 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2008. Namens appellant is verschenen A. Khottour, werkzaam bij Stichting Dienstverlening & Informatie Numydia te Amsterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren in 1958, heeft sinds september 1978 werkzaamheden in Nederland verricht bij bakkerij [naam werkgever]. In januari 1979 en in oktober 1980 heeft appellant operaties ondergaan aan zijn linkeroor. Ten gevolge van laatstgenoemde operatie heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen tot zijn hersteldverklaring op 16 april 1981. Gebleken is dat hij in 1984 Nederland heeft moeten verlaten.
Op 2 februari 1999 heeft appellant via het Caisse National de Sécurité Sociale (CNSS) een aanvraag gedaan voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), waarbij appellant heeft aangegeven zich volledig arbeidsongeschikt te achten.
De aanvraag van appellant is door het Uwv afgewezen bij besluit van 13 januari 2004, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 15 juli 2004, omdat appellant voorafgaande aan zijn hersteldmelding per 16 april 1981 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Het Uwv heeft daarbij in aanmerking genomen dat, gelet op de ter beschikking staande medische informatie, geen nieuwe arbeidsongeschiktheidsdatum kan worden aangegeven na appellants hersteldmelding.
De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
Recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat volgens artikel 19 van Pro de WAO voor een verzekerde zodra hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.
Uit de voorhanden gegevens is gebleken dat appellant in de periode van 20 oktober 1980, de datum van zijn laatste operatie, tot de datum 16 april 1981, met ingang van welke datum hij niet langer arbeidsongeschikt in de zin van de Ziektewet is geacht, ziekengeld heeft ontvangen. Namens appellant is betoogd dat hij destijds tegen de hersteldverklaring is opgekomen bij de Bedrijfsvereniging voor het Bakkersbedrijf. Ter ondersteuning van dit betoog is ter zitting van de Raad een kopie overgelegd van een ontvangstbevestiging van 15 mei 1981, waarin is vermeld dat appellants aanvraag om een voor beroep vatbare beslissing in behandeling is genomen. Uit voornoemde brief blijkt naar het oordeel van de Raad evenwel niet dat de beslissing van de hersteldverklaring in rechte geen stand heeft gehouden. Voorts is gebleken dat appellant na de hersteldmelding nog werkzaamheden heeft verricht bij werkgever [naam werkgever] in de periode van 13 tot en met
23 april 1982 en van 7 tot en met 11 februari 1983 en dat hij gedurende de periodes van niet werken een bijstandsuitkering heeft ontvangen, zodat moet worden geconcludeerd dat van een ononderbroken arbeidsongeschiktheidsperiode van 52 weken geen sprake is.
Voorzover uit de door appellant overgelegde medische stukken kan worden geconcludeerd dat appellant nog steeds klachten ondervindt aan zijn linkergehoorgang, heeft de Raad in die stukken geen aanleiding gezien anders te oordelen dan het Uwv en de rechtbank hebben gedaan. De medische informatie, die ziet op de periode na de datum in geding, biedt geen enkele aanknopingspunt voor de conclusie dat appellant in de relevante (verzekerde) periode onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt zou zijn geweest. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat tot de onderhavige aanvraag van 2 februari 1999 via de CNSS geen eerdere ziekmelding is ontvangen, terwijl niet valt in te zien dat appellant hiertoe buiten staat is geweest. Het risico van eventuele onduidelijkheid met betrekking tot appellants medische situatie ten tijde in geding moet door het tijdsverloop van 18 jaar voor rekening van appellant blijven.
Uit het vorenstaande volgt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te worden gebracht voor een WAO-uitkering en dat het Uwv derhalve op goede gronden aan appellant een uitkering ingevolge de WAO heeft geweigerd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2008.
(get.) H.J. Simon.
(get.) A. Kovács.
AR