ECLI:NL:CRVB:2008:BD0158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid WAO-uitkering na herziening
Appellante, voormalig lerares, was sinds 2001 arbeidsongeschikt gemeld vanwege spanningsklachten en ontving een WAO-uitkering. Na diverse besluiten en beroepen stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vast tussen 45-55% en later 55-65%. De rechtbank vernietigde het besluit van 22 juni 2005 wegens onvoldoende motivering over de verdiencapaciteit en het maatmanloon.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, met name op concentratie en tillen, en dat haar medische situatie verslechterd was. Het UWV nam een nieuw besluit van 21 augustus 2007 met een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De Raad oordeelde dat dit besluit niet volledig tegemoet kwam aan appellante en vernietigde het wegens onvoldoende motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
De Raad baseerde zich op medische rapporten en een functionele mogelijkhedenlijst (FML) waarin beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren zijn opgenomen. De Raad vond geen aanwijzingen voor zwaardere beperkingen dan vastgesteld en achtte de vastgestelde verdiencapaciteit en het maatmanloon van € 30,07 per uur overtuigend gemotiveerd. De proceskosten werden aan het UWV opgelegd en het griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het eerdere besluit is niet-ontvankelijk verklaard; het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2007 is gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met in stand laten van de rechtsgevolgen.