ECLI:NL:CRVB:2008:BD0195

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6556 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WAO-uitkering bij bereiken 65-jarige leeftijd bevestigd

Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te beëindigen per de maand waarin zij de leeftijd van 65 jaar bereikte. Het UWV had dit besluit genomen op grond van artikel 49 van Pro de WAO, dat dwingend voorschrijft dat de uitkering eindigt bij het bereiken van deze leeftijd.

De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, met als motivering dat de wetgever heeft bepaald dat de WAO-uitkering stopt bij het bereiken van 65 jaar, omdat op die leeftijd werknemers doorgaans met pensioen gaan en de WAO-uitkering wordt vervangen door een AOW-uitkering of pensioen.

In hoger beroep herhaalde appellante dat zij nog steeds ziek is en niet kan werken, en verzocht zij om algemene bijstand indien de WAO-uitkering niet kan worden voortgezet. De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden niet tot een ander oordeel kunnen leiden, omdat de wet geen ruimte laat voor voortzetting van de WAO-uitkering na het bereiken van 65 jaar.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De beslissing werd op 10 april 2008 in het openbaar uitgesproken door rechter H.J. Simon.

Uitkomst: De WAO-uitkering van appellante wordt beëindigd per de maand waarin zij 65 jaar werd.

Uitspraak

05/6556 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2005, 04/6116 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft van verweer gediend.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 27 maart 2008. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.
II OVERWEGINGEN
Bij besluit van 20 september 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) onder verwijzing naar artikel 49 WAO Pro met ingang van maart 2005 ingetrokken. Opgemerkt wordt dat appellante in die maand de 65- jarige leeftijd bereikt. Na tegen dit besluit door appellante ingesteld bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 3 november 2004, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar ongegrond verklaard.
In beroep is door appellante met name aangevoerd dat zij nog steeds ziek is. Zij gebruikt nog dezelfde medicijnen als ten tijde van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank heeft daarop als volgt overwogen:
“In artikel 49, eerste lid, van de WAO is dwingend voorgeschreven dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering een einde neemt met ingang van de eerste dag van de maand, waarin betrokkenen de leeftijd van 65 jaar bereikt.
De beëindiging van de WAO-uitkering op 65-jarige leeftijd hangt samen met de omstandigheid dat degenen, die in loondienst plegen te werken, op die leeftijd gepensioneerd worden zodat er geen reden meer is om een loonvervangende uitkering in de vorm van een arbeidsongeschiktheidsuitkering te verstrekken. De uitkering ingevolge de Algemene ouderdomswet en een eventueel pensioen vormen dan de aangewezen vervanging van het niet meer als gevolg van de medische arbeidsongeschiktheid, maar in verband met de bereikte leeftijd, gederfde loon.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiseres op 1 maart 2005 de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, heeft verweerder terecht de WAO-uitkering per voornoemd datum beëindigd. De wettelijke bepaling, weergegeven in artikel 49, eerste lid, WAO, is een dwingende bepaling hetgeen betekent dat er voor verweerder geen mogelijkheid wordt geboden door toepassing van beleid daarvan af te wijken. Met andere woorden: de wet staat niet toe iemand die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt in aanmerking te laten komen voor een WAO-uitkering. Of sprake is van ziekte en/of arbeidsongeschiktheid is daarbij niet van belang.”
Het beroep is ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij ziek is en dat zij niet kan werken. Indien de WAO-uitkering niet kan worden gecontinueerd wordt verzocht om algemene bijstand.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen. Hetgeen door appellante in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan het in de uitspraak van de rechtbank neergelegde oordeel. De Raad merkt nog op dat in de onderhavige procedure enkel de intrekking van de WAO-uitkering van appellante aan de orde kan komen.
De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2008.
(get.) H.J. Simon.
(get.) A. Kovács.