ECLI:NL:CRVB:2008:BD0931

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-456 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens inkomsten uit arbeid zonder nieuwe feiten

Appellant had bezwaar gemaakt tegen de intrekking en terugvordering van bijstand over diverse maanden in 2002 vanwege inkomsten uit arbeid. Het College had het bezwaar afgewezen en het verzoek tot herziening van dit besluit geweigerd omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelt dat de door appellant overgelegde stukken niet als nieuw kunnen worden beschouwd en dat deze feiten reeds eerder aangevoerd hadden kunnen worden.

Het College heeft derhalve terecht het verzoek om terug te komen van het besluit afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb Pro. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 april 2008.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

07/456 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 december 2006, 06/2590 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: College)
Datum uitspraak: 22 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2008. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit op bezwaar van 20 oktober 2004 heeft het College het besluit van 22 juli 2004 gehandhaafd en de bijstand van appellant over de maanden januari 2002, februari 2002, mei 2002 en juli 2002 herzien (lees: ingetrokken) in verband met inkomsten uit arbeid en de over deze maanden gemaakte kosten bijstand teruggevorderd.
Op 26 januari 2005 heeft appellant het College verzocht om terug te komen van het besluit van 20 oktober 2004. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft appellant aangevoerd dat uit de brief van werkgever [de werkgever] (verder: [de werkgever]) van 24 november 2004 blijkt dat niet bekend is op welke perioden de loonbetalingen betrekking hebben. Voorts heeft appellant afschriften overgelegd van de arbeidsovereenkomst tussen [de werkgever] en appellant van 19 maart 2002, een drietal salarisstroken van [de werkgever], de jaaropgave 2002 van [de werkgever], de brief van [de werkgever] van 8 april 2002 waarin de beëindiging van het dienstverband tussen appellant en [de werkgever] ingaande 8 april 2002 wordt bevestigd en een verklaring van de cardioloog van 6 april 2002.
Bij besluit van 17 maart 2005 heeft het College het verzoek van appellant afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 januari 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat hetgeen appellant ter onderbouwing van zijn verzoek tot herziening van het besluit van 20 oktober 2004 heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de (Awb).
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellant heeft aangevoerd dat uit de overgelegde brief van werkgever [de werkgever] van 24 november 2004 kan worden afgeleid dat de verrichte loonbetalingen door [de werkgever] zouden kunnen zien op andere perioden dan de maanden januari 2002, februari 2002, mei 2002 en juli 2002.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb alsmede de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hij voegt daaraan nog toe dat appellant de genoemde feiten en omstandigheden reeds naar voren had kunnen brengen indien hij (tijdig) beroep had ingesteld tegen het besluit van 20 oktober 2004.
Het College was dan ook bevoegd om het verzoek om terug te komen van het besluit van 20 oktober 2004 af te wijzen op de wijze als is bepaald in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
AR100408